Schuldig

‘Ik ruim de vaatwasser wel in. En ook weer uit.’ Nou, dat vindt zijn moeder wel fijn. Ze heeft nog wel wat te doen. Even later ziet ze Jesse het gras maaien. En nog weer later staat de groene kliko al aan de straat. Ze haalt haar schouders op en gaat eten koken. Als het bijna op tafel staat roept ze iedereen. In de hal hoort ze boven de stofzuiger. Ze loopt nieuwsgierig naar boven. Jesse zuigt de vloer van zijn kamer alsof zijn leven er van afhangt. Het is er ook nog nooit zo netjes geweest. In de douche vindt ze zijn vuile kleren in de wasmand. Ze schudt haar hoofd. ‘En nu eten allemaal!’ Het pastagerecht is goed gelukt en iedereen zit te smullen. Daarom is het even stil aan tafel. Als iedereen klaar is, springt Jesse op en ruimt de vuile vaat af. Dan zet hij de schaaltjes voor het toetje klaar. Zijn vader kijkt een beetje vreemd op en wil iets zeggen. Maar Jesses moeder gebaart dat hij even stil moet zijn. Na het toetje wil Jesse weer opspringen. ‘Ik doe de vaatwasser wel!’ Zijn zus kijkt hem ongelovig aan. Waar heeft die last van? Maar ze vindt het best en duikt in haar mobieltje. Mooi geregeld zo!

‘Jesse, ga eerst eens even zitten.’ Zijn moeder neemt hem even apart. ‘Geweldig wat je allemaal doet in huis. En je kamer, ik ken hem niet terug! Ik vraag het je toch maar even: is er iets aan de hand? Want ik moet je vaak vragen om de vuile was en zelf stofzuigen heb ik je nog nooit zien doen. En om de vaatwasser maken Karlijn en jij vaak ruzie. Dus…’ Jesse krijgt een rood hoofd. Hij slaat zijn armen over elkaar en knijpt zijn lippen stijf op elkaar. Maar het lukt niet. Er piepen een paar traantjes uit de hoeken van zijn ogen. Hij durft zijn moeder niet aan te kijken. ‘Pim, Jos en ik hebben appels gestolen.’ Schichtig kijkt hij naar zijn moeder. Die kijkt met vragende ogen terug. ‘Jesse, vertel me alles maar, dat is het beste.’ Ze strijkt met haar hand over zijn haar, maar daar schrikt hij van. ‘Uit school lopen we altijd door het winkelcentrum. En daar heeft groenteman Bas altijd een tafel met appels staan, in alle kleuren. Jos liep erlangs en nam zomaar een appel mee. Ik schrok, maar liep snel door en Pim ook. We moesten ook hard lachen. Die appel was best lekker. Hij smaakte spannend.’ Zijn moeder knikt. ‘En toen zei Jos dat Pim de volgende dag aan de beurt was. En ik de dag daarop. En dat doen we nu al twee weken. En ik wil niet meer.’ Jesses moeder slaat haar armen om hem heen. ‘Kom hier, dicht bij me.’ Jesse doet het. Hij voelt zich niet te groot of te stoer. Hij voelt zich rot. Hoe komt hij hier nu weer uit? ‘En daarom doe je al die klussen in huis?’ ‘Ja! Ik wil geen slecht mens zijn, geen dief! Maar het helpt niet.’ ‘Nee, dat helpt niet. Wat wel helpt is dat je zegt dat je niet meer wil. Het is nu afgelopen. Je stopt ermee.’ ‘Maar wat moet ik nou met de groenteman, en met Jos, en Pim?’ Zijn moeder denkt na, ze heeft een rimpel op haar voorhoofd. En dan lacht ze naar Jesse. ‘Haal je spaarpot.’ Jesse haalt zijn spaarpot.

Als hij beneden komt is moeder aan het bellen. ‘Fijn, tot zo!’ ‘Wie was dat?’ ‘De groenteman, hij komt eraan.’ Jesse trekt wit weg. Nu wordt het wel heel spannend. ‘Hoeveel appels hebben jullie gestolen?’ Jesse buigt het hoofd: stelen, dat was het. ‘Vijftien.’ ‘We gaan de groenteman vragen hoeveel hij daarvoor krijgt.’ Dan gaat de bel. Jesse staat te trillen op zijn benen. ‘Zo, jij lust wel een appeltje!’ Groenteman Bas lacht, maar kijkt ook wel streng. ‘Vertel eens, hoe ging dat eigenlijk?’ Jesse vertelt het hele verhaal en houdt niks achter. ‘En nu wil ik alle appels graag aan u betalen.’ ‘Prima idee, beter laat dan nooit. Jullie hebben een dure smaak, dus ik krijg 14,50 van je.’ Jesse maakt zijn spaarpot open en telt vijftien euro uit. ‘Ik vind het eigenlijk niet genoeg…’, zegt hij. ‘Ik wel.’, zegt groenteman Bas: ‘Je hebt ze betaald, de zaak is afgedaan, ik haal er geen politie bij en ik weet heel zeker dat jij dit niet weer flikt.’ Hij geeft Jesse een ferme handdruk. Hij drinkt nog een kop koffie met Jesses ouders. En Jesse? Die voelt zich opgelucht. Maar hij is nog niet klaar. Jos en Pim moeten dit nog weten. Hij zal opnieuw met zijn moeder praten, die weet vast hoe je zoiets aanpakt.

‘Mam, wat moet ik nu met Jos en Pim?’ ‘Ja, goeie vraag. Het zou mooi zijn als zij hetzelfde zouden doen als jij gedaan hebt. Zal ik eens met hun ouders bellen? Dan komen we morgen na schooltijd, of vlak na het eten even met zijn allen bij elkaar. Dan is het maar de wereld uit.’

Jesse geeft zijn moeder een klapzoen. ‘Ma, je bent een soort engel.’ Zijn moeder grijpt boven haar hoofd, en poetst iets onzichtbaars op met haar mouw. ‘Wat doe je nu?’ ‘Mijn aureooltje poetsen.’

Die avond leest zijn moeder hem een paar regels voor uit het boek van een profeet van heel vroeger. De woorden zijn wel 2750 jaar geleden opgeschreven. Jesse luistert, maar snapt er niet zoveel van. Totdat zijn moeder dit leest: ‘Er is jou, mens, gezegd wat goed is. Je weet wat de Heer van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg van je God te gaan.’ ‘Dat gaat over mij!’, zegt Jesse. ‘Precies.’, zegt zijn moeder.

Advertenties

About this entry