Contrabande

We zoeken een plek op een grote parkeerplaats aan de Route du soleil. Het is druk, Nederlanders en Belgen trekken massaal naar het zuiden van Frankrijk. Ik zie een plek en draai de auto erin. Voor me zitten twee mannen op de rand van de stoep, in de gaten gehouden door twee kleerkasten van douaniers. Aan hun hangt van alles: handboeien, schiettuig, pepperspray, mobilofoon. De mannen op de stoep ogen relaxed, maar dat is schijn. Hun Audi wordt vakkundig onderzocht. Het reservewiel ligt op straat, de motorkap staat open. Daaronder snuffelt een douanier met haar haar op een staart en een kogelvrij vest. Het zweet loopt over haar gezicht. Een ander komt met gereedschap aan, er moet van alles gedemonteerd. Waar hebben ze de contrabande verstopt? De omstanders kijken zo nu en dan schuw de kant van de douaniers op. Kinderen hebben hun belangstelling in het geheel allang verloren. Naarmate de tijd verstrijkt kijken de douaniers gefrustreerder. 

Een kreet. De douanier heeft iets gevonden. De kleerkasten zijn alert, ze verliezen de stoepzitters niet uit het oog. Aan de gespannen kaken is te zien dat ze zich verbijten. Een douanier trekt zijn dienstwapen, een andere maant mensen afstand te bewaren. Achter het dempend materiaal van de motorklep vandaan komt een geel lapje. Als ze het openvouwt verschijnen er kleine zakjes van stof. Edelstenen. De stoepzitters worden onrustig, dit was duidelijk niet het gewenste scenario. Het lijkt erop dat er in hun gedragsassortiment geen handelingen beschikbaar zijn. Er klinkt verbeten gemompel in een onverstaanbare taal.

Er zijn twee of drie scenario’s mogelijk. A. Ondanks hun gezwoeg wordt er geen contrabande gevonden. 1. Het is er niet. 2. Het is te goed verstopt.

B. Of ze vinden wel wat. En dan? De mannen op de stoeprand weten van niets. Ze maken althans de douaniers niks wijzer. Hoe gaan ze zich gedragen als er toch wat gevonden wordt? Ik neem aan dat ze dan gelaten over zich laten komen wat er gebeuren gaat. Er wordt een busje opgeroepen, ze worden geboeid en afgevoerd. Klaar. Ik ga er vanuit dat ze, voor ze op de stoep werden geparkeerd, gefouilleerd zijn. Niemand laat toch zomaar temidden van vakantiegangers potentieel gevaarlijke lieden zitten? Toch? 

C. Ik zie het voor me. De vrouw roept ‘Hebbes!’, de kleerkasten zijn even afgeleid en een van de stoepzitters ziet zijn kans schoon en sprint er vandoor. Wordt er op hem geschoten? Nee, niet te midden van zoveel reizigers. Of: de vrouw roept ‘Hebbes!’, de kleerkasten zijn even afgeleid en een van de stoepzitters trekt toch nog zijn wapen en wordt door een van de andere douaniers door een welgemikt schot buiten gevecht gesteld. Dit is de droog vertelde versie. Het kan ook met bloed, met gewonde omstanders, met een klein kind dat geraakt wordt, kortom, met heel veel drama. Waar hoopte ik eigenlijk op? De saaiste versie is de veiligste. Laat die het nou geworden zijn…

Advertenties

About this entry