Moet ik mij zorgen maken? -2-

fullsizeoutput_166cLieve lezer, de kurk is van de fles, het hek van de dam, het eerste schaap over de brug. Tijd voor een volgende gewelddadige fantasie. Ik had er al meer: ‘Koffie in Basel’ en een verhaal dat slechts enkelen kunnen lezen op een ander weblog. Dit is dus niet het tweede schaap over de dam, maar wellicht al het vijfde. Maar nu: ‘Van de Flüela naar Davos’. Het is een prachtige wandeling. Het begint op de pas met rotsen, begroeid met korstmossen. Het pad kruist regelmatig ruige beken. Al snel groeit de rijkdom aan planten. Kleine moerassen, alpenweiden en ruigtes tussen de rotsen. Aarzelend de eerste naaldbomen en compacte struiken, dan naaldbossen, loofhout en uiteindelijk hoge loofbomen. Rondom het ontplofte bergdorp Davos opnieuw vette weiden. Hier en daar moeten we dwars door de weiden die bevolkt worden door koeien. Ze zijn niet bang en versperren ons regelmatig de weg. Zoals ik al zei, een heerlijke wandeling. Wat er enigszins afbreuk aan doet is het gezamenlijk gebruik van de wandelpaden met fietsers. Bordjes langs het pad manen ons tot inschikkelijkheid. Meestal komt het er op neer dat de wandelaar inschikt. Die stapt nu eenmaal gemakkelijker opzij. De meeste fietsers uiten hun dankbaarheid voor zoveel hoffelijkheid. Een enkeling niet. En daar, lieve lezer, stak een gewelddadige gedachte de kop op.

‘Ik passeerde een stijle helling. Links van me ging de bergwand omhoog. De kant was begroeid met hoog opgaande kruidachtige gewassen. Het was een vochtige helling in de schaduw. Rechts van me liep de helling stijl af naar een woeste beek. Tussen de planten waren reusachtige rotsblokken zichtbaar. Ik bedacht een ontmoeting met een fietser. Ik koos de bergzijde, hij passeerde me aan de dalzijde. En juist op het punt van het voorbijgaan trapte ik hem van het pad. Hij stortte naar beneden. Ik hoorde metaal op steen, de fiets raakte de rotsen. Daarna een zacht gekreun. Met een lelijke open botbreuk lag hij half in het water, zijn rechterbeen in een rare draai onder zijn lijf. Voorzichtig klom ik naar beneden. Na enig zoeken vond ik een steen, klein genoeg om te tillen, zwaar genoeg om hem dodelijk te verwonden. Hij was nog verdwaasd van de klap en verweerde zich niet. Zijn helm versplinterde onder de slag van de steen. Er klonk een rochel. Aan zijn ogen zag ik dat het leven geweken was. Ik voelde voor de zekerheid nog aan zijn halsslagader.

En nu? De kei verdween in de beek. Ik ensceneerde dat ik degene was die hem gevonden had. Mijn mobiel had hier geen bereik. Schreeuwen dan maar. Na een poosje zag ik het hoofd van een fietser. ‘Schnell! Jemand ist schrecklich verletzt! Er soll gestürtzt sein. Hilf doch! Mein Handy hat kein Bereich hier. Was machten wir?’ Zorgelijk, niet, als dit soort fantasieën in eens mans brein opborrelen. Stelt u mij gerust, lezer, door te zeggen dat u ze ook hebt. Het maakt me minder eenzaam. En de mensheid een stuk gewelddadiger…

Advertenties

About this entry