Over het meisje dat eerst zo ongevoelig was

DSC_5506 

Er was eens een meisje zonder gevoelens. Ja, ze had ze natuurlijk wel, maar ze had ze diep weggestopt, in een laatje, bij haar rechterknie. Als er een gevoelig thema was of een heel erge gebeurtenis voorbij kwam, moest ze zo lang zoeken, dat het moment al weer voorbij was of het thema uitgekauwd, zodat de emoties als mosterd na de maaltijd zouden komen, dus liet ze die maar achterwege. Toch zat het haar dwars dat de gevoelens er niet waren, net als je ze nodig had. Zo nu en dan, als het echt niet anders kon, stak ze zichzelf met een scherp mesje of een naald, net wat voorhanden was. Dan perste ze er een mager traantje uit, voor de bühne. Echt gevoel kon je dat niet noemen. Maar ze leek dan even emotioneel. Dat was wel fijn. ‘Meisje, wat scheelt je toch?’, zei dan iemand heel lief. Ze kreeg een schouderklopje, een zakdoekje, een hug of knuffel, al naar gelang. Ze voelde zich niet schuldig (schuldig voelen is een emotie, dus nee), maar wist dat het niet in de haak was.

Op een dag, want zo gaat dat in sprookjes, kwam ze in aanraking met een vrouw. Niet echt, maar in een parallel bestaan, waar ze heel wat lijntjes had lopen met heel wat mensen wereldwijd. Ze kende de vrouw niet zo goed, maar ze leek, in letters en plaatjes, wel aardig. Ze was niet van plan heel veel aandacht aan haar te schenken, want waarom zou ze, maar iets in haar trok haar toch aan. De vrouw kon een beetje toveren, met toetsen en woorden. Ze maakte zo nu en dan iets in haar wakker. Vooral schrijfkriebels, merkte ze. Dat was wel leuk. De mevrouw mocht blijven. Ze was zich niet bewust dat dat toch wel wat in gang zette. Hoewel ze het niet van plan was, lagen binnen de kortste keren haar ziel en zaligheid zomaar zichtbaar op tafel. Dat was eng. Ze kwam veel te dichtbij. En erger nog, ze raakte haar soms zomaar aan. Met woorden weliswaar, maar toch. Wat moest ze doen?

Soms nam ze zich voor de draadjes die ze met haar had, los te knopen en weer haar eigen gang te gaan. Want ja, zo’n vreemde vrouw, wat moet je er mee? Je hoort soms van die rare verhalen… Dat het eigenlijk een man is, of een bandiet uit verre oorden, uit op je geld… Dat lukte niet. Bij stukje en beetje kwam ze meer van haar te weten. Ongerust stelde ze vast dat ze soms emotioneel was. Bij muziek, een B-film, een roodborstje dat tegen het raam tikte. Gevoelens zijn not done en zeker niet zomaar en al helemaal niet om al die flauwekul. De vrouw bleek er niet onder te lijden, integendeel. Dat maakte haar een tikkeltje jaloers. Hoe kon dat nu, zo’n vrouw maar emotioneel doen, terwijl zij het ijskonijn zelve bleef…

Op een andere dag –in sprookjes kan je zomaar van de ene naar de andere springen-, ze had net een grote pan soep gekookt, vond ze zichzelf terug op een bankje, aan de rand van het bos. Op de bank lag een hand, vlak naast haar. Dat was vreemd, want die hand was er net nog niet. Aarzelend stak ze haar vingertoppen uit om de hand aan te raken. De hand lag open. Hij was warm, ietsje warmer dan de hare. Aan die hand zat een arm vast en aan die hand een schouder en die schouder was weer onderdeel van een heel lichaam en dat was van… de vrouw. Ze zat ineens zomaar naast haar! Ze schrok ervan. Daar had ze niet op gerekend. Opgeborgen in de wereld van draadjes, klikjes, eentjes en nulletjes was ze veilig ver weg. Zelfs als bandiet uit verre oorden kon ze geen kwaad, als je maar goed oplette. Maar nu was ze ineens vlakbij. Ze zag haar bewegen –die vrouw, niet alleen haar hand-, knipperen met haar ogen en terugkijken. Snel trok ze haar hand terug. Maar toen dacht ze bij zichzelf: ‘Wat heb ik eigenlijk te verliezen?’ Ze glimlachte en vraagtekende met haar gezicht. De vrouw lachte. ‘Hoe gaat het met je?’, vroeg ze.

En voor ze er erg in had schoof het laatje bij haar rechterknie open en haastten de gevoelens zich omhoog, drongen achter haar ogen, in haar keel, haar klamme handen, haar oksels en stroomden naar buiten. Daar zat ze nu, op een bankje, waar iedereen het kon zien, te blozen, te zweten en te snotteren dat het een lust had. En dat terwijl er in geen velden of wegen een zakdoek te bekennen was. ‘Zal je net zien’, zei ze tussen twee snikken door: ‘Net hoofdpijn, altijd wanneer je het niet gebruiken kan.’ De vrouw knikte, terwijl er onder het bankje een glanzend plasje van louter tranen ontstond.

Het meisje sprong op. ‘Wacht hier!’, zei ze. En ze haastte zich het bos uit, over straat, de stad in. Overal waar haar voeten de stenen van de stoep raakten, glommen en gloeiden ze op. De tramrails glansden van plezier, de ramen rinkelden lachend in de sponningen. De huizen schudden van het lachen en riepen naar elkaar: ’Kijk daar heb je het meisje zonder gevoelens! Ze bloost dat het een lust heeft!’ De bruggen waggelden verrukt door het water, de buitenwijken vouwden zich nieuwsgierig om de binnenstad heen. De vissen in het water kusten elkaar, de bomen in de parken gaven elkaar een high five. De 17e-eeuwse meesters fladderden het museum uit, dat wilden ze ook wel eens zien: het meisje, niet langer een ijskonijn! Heel de stad danste.

Ze haastte zich door de poort, nam de trap van haar flat met drie treden tegelijk. Ze draaide een pirouette, sloeg zich de sloof om, ontstak de vuren van het fornuis, stootte de ramen open en riep vanaf het balkon: ‘Je mag komen, want alle dingen zijn gereed!’ De pannen jubelden, de deksels klepperden, de keuken ontplofte van de geuren en de smaken.

Niet lang daarna zaten het meisje en de vrouw aan tafel te genieten van een heerlijk maal. En alle beschermengelen snotterden van puur geluk. Waardoor het net leek of het motregende…

En het meisje? Ze had het ene gevoel na de andere, het hield niet op, ze werd verliefd op de groenteboer, de loodgieter brak haar hart, ze knuffelde een katje bijna dood, van pure vrolijke boosheid smeet ze haar hele servies aan diggelen. Ze kon haar geluk niet op. En zo leefde ze nog lang, heftig en zo nu en dan ook gelukkig en tevree.

Advertenties

About this entry