Anne. Faber.

IMG_0736

Ze heeft wel eens een pilsje voor me getapt. En een cappuccino voor me gemaakt. Ik herinner me haar nu. Ik was haar allang weer vergeten. Daar, in het Louis Hartlooper Complex, waar ze heeft gewerkt, heeft ze toch een indruk op me achtergelaten. Ik herinner me nog de associatie met de schilder Kees van Dongen, die de ogen van zijn vrouwenportretten altijd zo groot schilderde. Ik dacht dat ze voor hem wel een goed model zou zijn geweest. Ze had een gezicht waar ik lang en aandachtig naar wilde kijken. Dat kan natuurlijk niet. Alleen haar ouders, haar vriend, mensen die haar goed kenden mogen dat. Niet iedereen heeft een gezicht waar ik graag lang naar kijk. Het kwam door haar ogen, haar wenkbrauwen, haar jukbeenderen, haar lippen. Haar expressieve uiterlijk.

Hoe gaat dat, levenspaden raken elkaar rakelings. Zij deed haar werk, ik kwam een film kijken, lunchen, koffie drinken met mijn lief. Zonder echt notie van elkaar te nemen -waarom zou je ook?- gaat ieder verder. Tot 29 september. Een vriend op Facebook deelt de oproep van Annes vriend. Daarbij stond haar selfie in de regen. Ik herkende haar niet direct, maar had het vermoeden haar eerder gezien te hebben. Toen er meer foto’s van haar opdoken werd het me duidelijk. Onwezenlijk. Geen mens denkt bij zichzelf dat dit haar laatste fietstocht is. Geen mens denkt -onder normale omstandigheden- dat dit het laatste is wat ze doet. Er is altijd een straks, een later. Ook al leeft ze in het nu. Anne appte ‘lekker douchen’ toen ze haar selfie in de regen verstuurde. Ik vermoed dat ze verlangde naar een warme douche bij thuiskomst.

Ik herinner me de avond van die vrijdag, 29 september. Het was redelijk mooi weer geweest, maar ’s avonds was het omgeslagen. Regen, stevige buien. Een soort bezorgdheid bekroop me. Een mens kan niet leven met onzekerheid. Daarom creëert hij nog liever een negatieve zekerheid. Dat is vreemd genoeg gemakkelijker te verdragen. Ik leerde het tijdens de colleges pastorale psychologie. Ik ergerde me aan het feit dat ik mezelf er ook op betrapte. ‘Ze is vast in handen gevallen van een psychopaat.’

En toch bleef ik hoop hebben. Die werd me ontnomen toen de persconferentie werd aangekondigd. Dertien dagen na haar vermissing was haar lichaam gevonden in een bos bij Zeewolde. Met verbijstering heb ik gelezen wat mensen schrijven in het condoleanceregister. Wat columnisten te berde brengen. Een goede kennis oppert met zoveel woorden dat nu stilte en afstand past. Hij laat me aarzelen. Kan ik dit, wat je nu leest, nog wel schrijven? Voor wie doe ik dat? In eerlijkheid: voor mezelf.

Ik doe geen poging om me voor te stellen wat haar vriend en haar ouders ervaren. Hoe zou ik dat kunnen? Ik voel weliswaar verdriet, om een leven dat plotseling is afgebroken. Maar dat valt in het niet bij wat haar ouders en haar vriend ervaren.

Nooit stapt ze meer op haar fiets. Nooit legt ze meer haar wang op de schouder van haar vriend. Nooit strijkt hij meer met zijn hand door haar blonde haren. Wellicht nog een keer, als haar lichaam wordt overgedragen. Als ze in haar kist ligt.

Ze wordt geen moeder, geen oma. Ze maakt geen verre reizen, geen carrière. Ze wordt niet oud, verliest geen geliefden aan de dood, wordt niet dement, takelt niet af. Op haar instagram-account verschijnen geen nieuwe foto’s meer. Op haar Facebookpagina geen nieuwe berichten meer. Het is voorbij. Nu rest een leegte. Ik laat die leegte, met pijn en al, bestaan.

Advertenties

About this entry