Waar woont Madelief*?

Heb jij in huis een rommelplek? Nee? Is het bij jullie thuis allemaal ‘kant en glad’? Ruikt het er naar boenwas en zeepsop? Heb jij zo’n moeder of vader die de hele dag met een bloemetjesschort voor en een doek om de haren loopt te poetsen en te soppen? Staan bij jullie altijd de ramen open voor de frisse lucht? En glijd je, als je niet oppast met je bips van de trap omdat die zo glad is van het poetsen? Moet bij jullie thuis altijd alles op zijn vaste plekje staan? En moet je van je papa altijd ‘direct’ de spullen opruimen waar je mee aan het spelen bent, omdat hij ‘anders zijn benen breekt over die rommel’? En heeft je moeder voor alles een vast plekje? Een mandje voor de knotten wol? Een tafeltje voor de boeken waar ze op dat moment in leest? En raken je ouders helemaal in paniek als er een stofje opdwarrelt?

En de keuken, glimt die altijd, voor en na het koken? Nooit een vuil kopje in de gootsteen?

Als het bij jullie thuis zo netjes is, dan wonen er geen minimensjes. Minimensjes worden heel zenuwachtig van opruimen. Ze kunnen niet tegen de herrie van een stofzuiger. Ze worden verkouden van sop en hun ogen gaan tranen van de geur van boenwas. En als er nergens iets ligt te slingeren, kunnen ze het ook niet meenemen. En kunnen ze nergens wonen. Want ze hebben rommelhoekjes nodig. Ze zijn dol op kasten, kisten met speelgoed, vooral als er een hele tijd niemand iets uithaalt. Ze vinden het fijn als de keukentafel en het aanrecht volstaat met restjes en vaat. Dan kunnen ze smikkelen van een korstje brood, een kruimeltje koek, een lik jam of een klodder mayonaise.

Wie goed wil zijn voor minimensjes moet een grote rommelkont zijn. Of worden, dat kan ook. Dus als je moeder zegt: ‘Opruimen!’ dan zeg je: ‘Ik wil wel, maar het is zo zielig voor de minimensjes. Die schrikken van de stofzuiger en zijn bang voor de dweil. Heus, mama, je kent me, ik zou het liefst alles keurig hebben, maar ja, de minimensjes…’

De meeste papa’s en mama’s begrijpen dat. Ze beginnen dan zelf ook lekker veel rommel te maken. Papa’s laten overal halflege bierflesjes staan en halve glazen wijn. Ik bedoel natuurlijk hele glazen, maar dan halfvol. Want een half glas wijn, dat is lastig. Ze laten ook over al plakjes worst en kaas en een paar chipjes liggen. ‘Voor de minimensjes.’ Ze smijten hun vuile kleren onder het bed, hele stapels sokken en onderbroeken en truien en hemden. ‘Voor de minimensjes.’ Als ze gekookt hebben en er is wat over, kieperen ze de macaroni niet in de prullenbak, welnee, ze zetten kleine schotels onder de verwarming, met saus en al. ‘Voor de minimensjes.’

Dat gaat een tijdje goed. Maar dan krijgen de muizen het door. Want die houden van precies hetzelfde als minimensjes. En hebben aan precies hetzelfde een hekel. En waar de muizen komen, gaan de minimensjes weg. Het wordt dan te druk.

Hoe moet dat nu, goed zijn voor minimensjes, maar geen muizen lokken? Je begrijpt het al zeker. Zo nu en dan toch opruimen en stofzuigen en soppen. Eerst natuurlijk heel hard roepen. ‘Ik ga nu de hal soppen!’ En na tien minuten pas beginnen. Dan hebben ze de tijd om weg te gaan. En zo nu en dan alle vuile vaat en flesjes en kommetjes met restjes toch maar opruimen. En alle voedselrestjes weggooien. Je moet dus half proper Jetje en half sloddervos zijn. Dat is het beste voor minimensjes. Daar houden ze van, van huizen waar zulke mensen wonen.

Advertenties

About this entry