Zo bezien, column 9, ‘Jongste dochters, oudste zoon?’

DSC_4479

Als kerkmens, als christen ben ik (meestal) de oudste broer. Liever niet, maar ik ontkom er niet aan. Hoe ik dat weet? Ik praat met de jongste broers en zussen…

‘Als je niet in God gelooft, is Hij er niet.‘ Lang heb ik me afgevraagd waarom de vader in de gelijkenis niets doet om zijn jongste zoon tegen te houden als die zijn erfdeel opeist, het te gelde maakt en vertrekt. De jongste zoon ontkent zijn vader eenvoudig; hij is lucht voor hem. Hij gaat volledig op in zijn eigen leven. Zolang het goed gaat lukt het hem om ‘vaderloos’ te leven. Maar als het tij keert, verandert dat. Nou ja, hij herinnert zich betere omstandigheden, die wil hij wel terug. Niet meer dan dat. Heimwee naar het paradijs, wie heeft het niet? Zoals ik heimwee kan hebben naar mijn jeugd, het onbezorgde, het kijken door de ogen van een kind. Maar ik wil niet alles terug, ik wil een selectie. Ik begrijp die jongen wel.

Pijnlijk, want dan moet de zoon erkennen dat er toch een vader is. Onmogelijk, dat ziet hij wel in. Hij opent de onderhandelingen, hij heeft geen poot om op te staan, maar hij heeft wel honger. In feite is hij nog niet veranderd. Hij is geen zoon meer en hij wil het niet worden.

Nu kan ik, eerst als toeschouwer, al lezend het wijze hoofd schudden en zeggen dat hij het verkeerd heeft aangepakt en nog steeds verkeerd aanpakt. Maar dan lees ik het verhaal maar met één oog. Het is een scherp verhaal, met een verwijt er in. Hoe kan het nu, dat die jongen niet inziet dat hij deel uit kan maken van iets prachtigs? De oorzaak ligt bij zijn oudste broer, bij mij dus, die zijn broer niet wil wezen en die zich nooit als zoon gedroeg.

Wat? Val ik u en mij als oudste broer en zus te hard? Kent u ze wel in de kerk? Zelf ben u heel anders? O. Nou, dat is alvast mooi, maar de kerk als geheel komt er toch minder goed af.

Uit onderzoek is gebleken dat kinderen van een jaar of dertien de balans opmaken: zal ik doorgaan met geloven of niet? Om drie redenen stoppen ze er (vaak) mee. 1. Hun beeld van God (de vader) is niet goed. 2. Het natuurwetenschappelijke wereldbeeld (waar God is uitgegumd) past veel beter. 3. God stelt hen teleur, Hij doet niet wat ze van hem verwachten.

Hoe kan dat? Het is gelovigen niet gelukt om het beeld van God de Vader goed neer te zetten, het goed voor te leven, met hart en ziel en veel vreugde te geloven. De cijfers liegen niet: de uitstroom uit de kerken komt voor tweederde voor rekening van jongeren. Ze zijn een graadmeter voor hoe het toegaat. In het verhaal van Jezus is er geen sprake van een band tussen die jongens. En dat ligt niet alleen aan de jongste! Wij, oudste broers en zussen, hebben er zelf moeite mee deel uit te maken van Gods huisgezin. Maar dat zie je niet, we wonen nog keurig thuis. Maar als de vader en de jongste zoon elkaar dan gevonden hebben, zijn de druiven zuur. De verwijten zijn niet van de lucht. Oudste zonen kunnen alleen zichzelf iets verwijten. Zo dicht bij de bron leven, zoveel mogelijkheden gehad om het mee te maken, en er toch voor passen. Wat ik beschamend vind is dat de oudste zoon het zijn vader en zijn broer niet gunt om elkaar te vinden.

Hoe breng ik het eraf? Ben ik ook zo’n obstakel? Als Jezus iets vertelt, dan is dat vrijwel altijd om me in beweging te brengen. ‘Doe er wat aan, zorg dat het zo niet gebeurt, zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb.’ Ik heb een keus. Ik kies er voor om op de vader te lijken. Wat dat inhoudt? In de eerste plaats niet oordelen, niet verwijten. Ik sprak onlangs een ‘jongste zus’, nog maar net lid van Gods huisgezin. Ze vindt kerkmensen ‘minder snel geneigd een echt open gesprek aan te gaan, echt door te vragen, over privézaken of over hoe ze werkelijk denken… …meer afgeschermd, neutraal, ze houden veel afstand en laten niet snel het achterste van hun tong zien. Je kwetsbare kant zomaar laten zien, dat zie ik de christenen die ik heb leren kennen niet snel doen.’ Waar zijn we bang voor, waar ben ik bang voor? Voor het oordeel van de ander. Dat is gek! Liefde drijft de angst juist uit. Ik heb niks te verbergen, God kijkt dwars door me heen. De Vader kent me van haver tot gort en toch houdt Hij van me. Dat wil ik op mijn beurt ook doen.

Dus als mijn jongste broer of zus aarzelend nadert, naar hem of haar toelopen, omhelzen, alles doen wat nodig is en uit mijn dak gaan van vreugde!

Femke schreef haar column: http://www.izb.nl/verdieping/artikelen/zo-bezien-afl-9-mijn-verloren-zoon


About this entry