Zo bezien, column 4, ‘Zeeuws meisje’

1382520_584180614951305_269148856_o

Een mooie, jonge vrouw, een kleine neus, volle lippen en prachtblond lang, haar. Een vriendelijke blik. Ondertussen geeft ze gedecideerd haar mening, respectvol en bescheiden gebracht. Franca Treur vind ik een innemende persoonlijkheid. Tijs van den Brink bezoekt ook haar in de serie ‘Adieu God?’, want ze komt uit een reformatorisch gezin en heeft gebroken met het geloof.
Ze voelt zich bevrijd omdat ze niet langer beperkt wordt door de voorschriften en regels uit haar milieu en ze niet langer hoeft te voldoen aan de eisen die aan haar rol als gelovige en als vrouw worden gesteld. Ze mag het nu zelf bepalen en dat voelt goed. Het was misschien gemakkelijk om de voorgeschreven regels te volgen en niet na te denken, maar uiteindelijk was het onbevredigend. Nu is ze zelf verantwoordelijk voor haar doen en laten, waarbij ze niet alles uit haar jeugd heeft losgelaten. Waarom zou ze, als de regel past en deugt? Maar geloven in God is er niet meer bij.
‘Jij bent er geen van ons’, zegt de vader. ‘Jij bent in het ziekenhuis verwisseld.’ Een zin uit het boek ‘Dorsvloer vol confetti’, de roman vol autobiografische elementen. Ze voelde zich buitenbeentje, net als Kathelijne uit haar roman. De twijfel kwam bij Franca later dan bij haar romanfiguur. De twijfel is overgegaan in de overtuiging dat God is gemaakt door mensen. In het interview met Tijs gebruikt ze de term ‘ontmaskeren’. Die opmerking neemt ze later terug omdat ze niet kan bewijzen dat God niet bestaat. Maar voor haar bestaat Hij niet meer.

Realiteit
Ik voel niet de behoefte om God te bewijzen. Dat lukt toch niet. Al heel lang wandelt een Joodse spreuk met me op: ‘God onttrekt zich aan het verstand, Hij openbaart zich in zijn liefde.’ Denken levert niet zoveel op. God verbergt zich dan, is niet te ‘vatten’. Dat wil niet zeggen dat Hij er niet is. Hij kiest er voor zich te laten ‘kennen’ op een wijze die verrassend kan zijn, die vaak heel menselijk is. Met dat ik het opschrijf besef ik dat ik allerlei uitspraken doe over God. Of ze waar zijn? Doet er niet toe, ze missen het eigenlijke, want het draait om de relatie.
Ik kan je de schoenmaat geven van mijn lief, de kleur van haar haar en haar ogen beschrijven, zeggen dat ze een leuk klein mondje heeft, je vertellen dat ze van Indiaas eten houdt, dat ze zucht onder de laatste loodjes van haar studie, dat ze een geweldige moeder is en een vakvrouw, dat ze van hoge bergen en hedendaagse kunst houdt, maar dat alles zegt niets over wat ik voor haar voel en hoe ze voor me is. Zij is een mens van vlees en bloed, die ik kan aanraken, strelen en liefkozen. Als ik wil kan ik haar spreken en zien. Ik kan haar horen als ze praat of lacht. Ik heb haar lief met hart en ziel en lijf en leden.
Kan ik dat ook zo zeggen van God? Nee! Dezelfde gevoelens die ik heb voor wie mij het liefst is, heb ik ook voor God en ze overstijgen die zelfs. Maar God is van een andere realiteit dan mijn vrouw. Hij is niet zintuiglijk waarneembaar. En wat ik Hem toeschrijf, aan feiten en gebeurtenissen, is in de meeste gevallen op een andere wijze te interpreteren. God ontrekt zich aan mijn gewone ogen en oren. En toch: ik heb Hem lief met hart en ziel, lijf en leden.

Zin
Franca vindt het leven zonder God zonder zin. Natuurlijk doet ze haar best om er zin of betekenis aan te verlenen, maar ze relativeert het. In haar ogen is geloven naïef. Omdat de betekenis op iets onwaars berust. Ze noemt hier een punt dat me raakt. Een toenemend aantal agnosten raakt in verlegenheid. God is aan de kant gezet, maar er is een vacuüm ontstaan. En er is niemand die het op bevredigende wijze kan opvullen. Franca is nu nog te opgelucht, de bevrijding is belangrijker dan de verlegenheid. Ik merk ondertussen dat de betekenisverlening vanuit het orthodoxe geloof hapert, ook voor gelovigen vandaag de dag. Is dat erg? Het brengt ons in verlegenheid. We worden minder stellig. Het maakt het gemakkelijker om ons te verbinden met agnosten.
Ik word niet zenuwachtig van de uitspraken van Franca. Wel voel ik afstand. Het klinkt aan de ene kant hautain en aan de andere kant weerloos, maar ik kan het niet anders onder woorden brengen: het gaat erom weet te hebben van een mysterieuze relatie tussen God en mens, een relatie die onzegbaar is. Die relatie staat het toe om kritisch en onderzoekend te zijn. Die laat het toe om te twijfelen en zelfs te wanhopen. In die relatie zijn God en mens elkaar soms tijden kwijt. Ik zie veel gelovigen om mij heen ‘fluiten in het donker’. Ze verdragen de twijfel en de wanhoop amper. Met alle macht roepen ze dat God wel bestaat en net zo reëel is als een appeltaart of een lammetje in de wei. Waarmee ze het anders-zijn van God onbewust negeren. Dat is jammer voor mensen zoals Franca, die nu juist zo’n moeite hebben met dat in schokbeton gegoten geloof.

Wens
Soms ben ik zelf als Franca, bij mij in huis woont een soort ‘Franca’. Het is mijn diepe wens zo te leven dat ‘Franca’ de ruimte krijgt om zichzelf te zijn en te twijfelen. En zo te leven dat God, die niet waarneembaar is, de ruimte krijgt om zich te openbaren, in zijn liefde. En soms gebeurt dat. En dan is het leven zo mooi.

Femke schreef haar column: http://www.izb.nl/verdieping/artikelen/zo-bezien-afl-4-franca-treur-en-adieu-god

Advertisements

About this entry