Zo bezien, column 11, ‘Terublik’

DSC_5506
Tien maal ging Johan Timmer op pad met Femke en/of Yvon, die hij had ontmoet tijdens een schrijfcursus. Twee jonge vrouwen met welwillende belangstelling voor het christelijk geloof. Aan het eind van de rit blikt Johan terug.

We sluiten onze zoektocht af met een etentje. Femke en Yvon en ik spreken elkaar voor het laatst bij ‘Badhu’, een Arabisch restaurant in Utrecht. Ik ben benieuwd wat de zoektocht met hen heeft gedaan en hoe ze er op terugkijken.

Ze zouden nooit zo aandachtig en langdurig zich in verschillende aspecten van het christendom hebben verdiept als ik ze daar niet om had gevraagd. En ze hebben dat als verrijkend ervaren. Yvon vroeg me of de zoektocht tot doel had dat ze tot inkeer zouden komen. Met de hand op mijn hart kan ik zeggen dat dat niet mijn doel was. Tegelijk zeg ik dat het christendom een missionaire godsdienst is waarin het werven van nieuwe gelovigen opdracht is. Maar tijdens de zoektocht zijn ze nergens gemanipuleerd, dat erkennen ze. Wel hebben ze het appèl vernomen. Ik was me er van bewust dat ze, door kennis te nemen van het evangelie en door gelovigen te ontmoeten, wel degelijk aangeraakt konden worden. Ik heb ze dat niet verteld (nu wel). Ze antwoordden dat ze best in de gaten hadden dat door zich er in te verdiepen, dat zou kunnen gebeuren. Maar daar waren ze zelf bij.

Yvon is zich meer in de bijbel gaan verdiepen. De verhalen hebben voor haar een diepere betekenis gekregen. Ze staan symbool voor een diepe levenswijsheid. Tegelijk zegt ze dat ze het niet nodig vindt om daarbij in God te geloven. De verhalen hebben waarde in zichzelf.

Het bezoek aan Blossom heeft ook indruk gemaakt. Ze vonden het opmerkelijk om daar zoekers tegen te komen van hun leeftijd en in grotendeels dezelfde levensomstandigheden als zij. Op mijn vraag of ze er nog eens heen zouden gaan, antwoorden ze ontkennend, daar hebben ze eigenlijk geen behoefte aan. Alhoewel ze best wel met mensen van verschillende levensovertuigingen zouden willen praten. Maar dan moet er wel een praktische of noodzakelijke aanleiding zijn. Femke vindt de interreligieuze dialoog lastig. ‘Je weet nooit waar je iemand kwetst. In mijn columns hield ik ook rekening met de lezers. Nu vraag ik me af of dat wel nodig was.’

Geloven en niet geloven, het zijn twee heel verschillende manieren om naar de werkelijkheid te kijken. Zo zien zij het. Dat verbaast me een beetje. Volgens mij maken zij geloven veel massiever dan het in werkelijkheid is. Gelovigen twijfelen ook wel eens en zijn het onderling ook niet altijd eens, dus enige nuance is wel op zijn plaats. Maar blijkbaar hebben ze de tegenstelling nodig om zich het geloof van het lijf te houden. Bij Femke leeft sterk het idee dat je in het geloof moet zijn grootgebracht, anders wordt het nooit wat. Daarom is ze ook hogelijk verbaasd dat een collega van haar na een religieuze ervaring op zoek is gegaan en ‘gereformeerd’ is geworden. Ze kan er met de pet niet bij. Ik vraag haar of zij dan geen levensveranderende ervaring heeft gehad, zonder die direct religieus te noemen. Ze erkent dat ze behoorlijk rationeel is ingesteld en haar leven ordent naar rationele principes. Toch wil ze niet ontkennen dat de ontmoeting met haar huidige man wellicht méér is dan toeval. Ze voelt zich zo gelukkig met hem dat ze wel wil geloven dat ze voor elkaar bestemd zijn. En zelfs wel dat ze iets goeds heeft gedaan, waardoor haar dit overkomt. Ze heeft er alleen geen adres bij.

Toekomst
Yvon realiseerde zich onlangs, toen ze langs een kerk reed, dat dit straatbeeld wel eens heel snel tot het verleden kon gaan behoren. Ze had nu veel meer in de gaten dat er zich van alles afspeelde achter die kerkmuren. Maar binnenkort was die wereld voorbij, als gevolg van de enorme kerkverlating, is haar overtuiging. Mocht ze gelijk hebben, zou haar dat wel spijten. ‘Vind je het geen vechten tegen de bierkaai?’ vraagt ze me. Nee, dat vind ik niet. Ik ben het met haar eens dat het instituut aan het verdwijnen is. Maar de kerk is meer dan een instituut, het is een beweging. Ik vertel haar over De Bron, het diaconaal centrum in Rotterdam-Rubroek, een prachtwijk, waar in een paar jaar tijd een geloofsgemeenschap is ontstaan voor en door de bewoners met enige hulp van een kerk verderop. Dat mensen daar weer opveren en wat van hun leven gaan maken en tot geloof komen. Natuurlijk is dit diaconale werk niet exclusief christelijk, maar gelovigen lopen wel vaak voorop in vrijwilligerswerk. Femke vraagt of ze niet vooral elkaar helpen. Ik antwoord dat ze dat ook doen, maar dat er altijd oog is voor de ander en dat er zonder onderscheid wordt gehandeld. Ze vinden het ontroerend en mooi dat dit gebeurt. Ik zie ze allebei instemmend knikken als ik er over vertel. Wellicht is de kerk van de toekomst eerder die kleine groep dan een oud instituut. Wat hen ook intrigeert is de langzaam aanzwellende stroom van toetreders ‘out of the blue.’ Dat zouden zij kunnen zijn.

Later realiseer ik me dat de inzet voor sociale gerechtigheid wel eens een brug zou kunnen zijn voor de komende generatie. Jongeren en jong-volwassenen van nu leven niet meer met de zekerheid van mijn generatie. Zekerheid op werk, op zorg. Iedereen die opstaat en zich daar sterk voor maakt is welkom. En als dat christenen zijn: prima.

Femke vraagt zich af of het mogelijk is om op de grens van die twee werelden te leven, geloven en niet geloven. Ze reageerde verbaasd op mijn opmerking dat er binnen homogene groepen, zoals de kerken, soms weinig onderling gesproken wordt over inhoudelijke zaken. En dat de mooiste gesprekken plaatsvinden op het snijvlak. Wij hebben die gesprekken in ieder geval gevoerd. Ik heb geprobeerd zo dicht mogelijk bij die grens te komen. Zij hebben ervaren dat je ook heel dicht bij de grens van geloven kunt komen. Er is een grens, daar zijn we het over eens. Over de vraag of die te overschrijden is niet.

Beiden zijn kortgeleden verhuisd en zijn zich aan het settelen. Hun aandacht gaat daar helemaal aan op. Natuurlijk, de tijden zijn onzeker en rondom hen worden vrienden getroffen door ontslag en zorgen. Maar hen gaat het goed en ze zijn gelukkig. Ze zijn me erkentelijk voor de mogelijkheid die ik hen bood om samen op te lopen. Femke suggereert nog dat ik nu maar eens met hen moet oplopen. Maar hoe dat er uit moet zien weet ze eigenlijk niet. Mij lijkt het wel wat, maar of het ook gaat gebeuren…?

We stappen naar buiten, het donker in. Ieder gaat een andere kant uit. ‘Goede reis! Tot ziens!’ En daarmee eindigt de tocht. Althans, mijn tocht met hen. Niet Gods bemoeienis met hen, daar ben ik van overtuigd. Ik laat het los. Het is in Zijn handen.

Johan Timmer

Advertenties

About this entry