Kleren

DSC_5506

‘Ja, Karel, je staat er als een aardappelzak bij bedoelt die juffrouw. Ga eens recht opstaan.’ Dat bedoelde Marleen helemaal niet, maar ze liet het maar zo. Karel, de man in kwestie, had een bloedhekel aan winkelen en al helemaal aan kleren kopen. Irma had net zo lang aan zijn kop gezeurd dat ie maar mee was gegaan. Het mens werkte de laatste tijd enorm op zijn zenuwen. Vast de overgang. Er kon steeds minder, niks deugde. In bed lag hij naast een ijsklomp. Behalve als ze een opvlieger had. Dan was hij ook het dekbed kwijt, alles werd van het bed gesmeten. Hij had -opnieuw- gebroken nachten, en zij ook natuurlijk. Het deed hun jarenlange huwelijk geen goed. ‘Ik denk dat meneer meer heeft met een ander type jasje. Dit is een getailleerd modelletje.’ ‘Hoor je het, Karel? Zij zegt het ook, je hebt een buik.’ Marleen beet op haar lip. Als dit goed ging ging er meer goed. ‘Zal ik eens kijken of we iets hebben in uw maat?’, vroeg ze nog. Maar het was al te laat. ‘Trut! Ja, ik heb een pens, ik vreet me op. Niks kan er in huis, je haalt het bloed onder mijn nagels vandaan! En nu staan we in zo’n stomme klerenwinkel. Ik ga naar huis!’

Marleen draait zich om, hier wil ze niet bij zijn. Ze hoort een klap, een afgrijselijke gil. Irma, de vrouw in kwestie, heeft uitgehaald met haar handtas. Ze ziet bloed, een kapotte bril. Het gezicht van de man is compleet veranderd, zijn neus is zo gebroken dat ie er bijna bij hangt. Hij krijst van de pijn. Irma beent de trap af, de winkel uit. Bij Karel knapt niet alleen zijn neus, maar ook de dam voor de opgekropte woede. Hij grijpt de vrouw bij haar strot en wurgt haar ter plekke. Het is Marleen, maar dat ziet hij niet zonder bril en met al dat bloed in zijn ogen. Hij strompelt richting de trap, weg hier. Maar halverwege, in een bocht in de trap, wordt hij pootje gehaakt door een paspop. Met net zo’n jasje als hij aan het plastic lijf. Hij stort voorover en breekt onderaan de trap zijn nek. De verkoopster van beneden komt net het magazijn uit en plast in haar broek van de schrik. Pas daarna belt ze 112. Voor Marleen en Karel is het te laat.

En Irma? Die zit in een gezellig tentje achter een reuzengebakje. Met koffie, met slagroom. Als ze thuis is gaat de bel. Er staan twee agenten op de stoep. Of ze even binnen mogen komen. Dat ze niet moet schrikken. Haar man is overleden in een kledingzaak. Irma valt niet uit haar rol, ze speelt de perfecte zenuwinzinking. Ze doet haar verhaal, van het meningsverschilletje over een colbert. Dat ze wegliep. En niet weet wat er daarna gebeurd is. De politie kan er niet meer van maken dan dat de man in een vlaag van verstandsverbijstering de verkoopster omlegde en bij het verlaten van het pand ten val kwam en dientengevolge de nek brak. Punt. Na enige tijd wordt de zaak gesloten.

Irma is intussen tien kilo aangekomen en heeft een platonische relatie met de bridgeleraar. Ze koopt nooit meer in die winkel kleren. Ze draagt nu broekpakken. Uit bewondering voor Angela Merkel. Zegt ze.


About this entry