Te water

  
De vorige nacht had het stevig geregend, de paden waren doorweekt. We liepen langs de Kromme Rijn, tussen Rijnauwen en Oud-Amelisweerd. Het was laat in de morgen, er scheen een waterig zonnetje, we hadden een koude wind tegen. Over een slootje dat uitmondt op de Kromme Rijn passeerden we een smal bruggetje. Daar gleed ik uit en viel in het water. Ik verwachtte kou, ik zou doornat en modderig op de kant kruipen, zo snel mogelijk naar de auto lopen en naar huis rijden. Maar onder water was het niet koud, niet eens modderig. Ik verwachtte het benauwd te krijgen, maar het enige wat ik merkte was, ik heb er geen andere woorden voor, vriendelijkheid. Apart, want er was niemand, geen dier, geen plant, alleen een flauw schijnsel van licht, vlak voor me. Ik boog voorover en het leek wel of ik door een smalle poort ging. Daarachter was een prettige ruimte. Ik stapte naar binnen en een loomte overviel me. AL die tijd verkeerde ik in de wetenschap dat ik zojuist onder water was verdwenen en toch nodig adem moest halen. Ik hoorde verkleumd te zijn. Onder water zou het koud en modderig moeten zijn. Schrik, paniek, dat zou moeten, maar niets van dat alles. De tijd loste op in het water. Zou ik hier willen blijven? Waar was ik? Het was niet de hemel. Het haalde het niet bij mijn beeld an de hemel. een soort Nirwana dan, een niets? Nee, dit was wel iets. Opmerkelijk, ik kon er blijkbaar heel beschouwelijk over denken. Het enige wat me nog enigszins kon bevredigen was een soort toestand van tussentijd. Want er was geen tijd. En dat was wel heel vreemd. Want ik kon wel denken. ik kon mezelf laten denken: ‘Hoe gaat het nu verder?’ Ik moest toegeven dat daarin toch een soort van tijdsverloop zat. Ik merkte dat ik daarom glimlachte. 

Eerlijk gezegd begon de toestand waarin ik me bevond een beetje te vervelen. Ik verlangde naar een uitweg, een ontsnapping. Was ik wel echt onder water? Was ik soms buiten bewustzijn geraakt, om welke reden dan ook? Zou ik straks wakker worden, in een ziekenhuisbed, of gewoon, liggend op het pad naast de Kromme Rijn? Ik merkte dat ik nieuwsgierig werd naar een andere situatie, naar een ander moment. Dat stond me aan, het kon onderdeel zijn van de uitweg. Ik draaide me om (ik had de controle over mijn lichaam, vreemd eigenlijk) en zocht de poort waardoor ik naar binnen was gekomen. Wat ik zag was een wand van water. Ik raakte die aan en merkte dat ik mijn hand er door kon steken. Dat was vreemd. Want in welk medium bevond ik mij nu dan? Ik besloot daar later over na te denken. Eerst hier uit. Ik haalde die adem, stapte naar voren, het water in. Om me heen voelde ik kou. Het water drong door mijn kleren. ik opende mijn ogen, maar zag door de modder niet veel. Het leek wel of ik me nu pas in het water van de Kromme Rijn bevond. Het kostte me geen moeite om omhoog te komen, de oever op te klimmen en daar verbaasd in lachen uit te barsten. Mijn lief stond als versteend. Hier begreep ze niets van. Iemand raakt te water, komt er weer uit en begint heel hard te lachen. Het moest niet gekker worden. 

Eenmaal thuis, gedoucht, met een kop hete chocolade met een scheut rum, dacht ik na over de ‘tussentijd’. Wat was er gebeurd tussen het moment dat ik uitgleed en te water raakte? Is tijd dan inderdaad relatief? Is er een kier, waardoor je, al is het maar even, uit de tijd kan stappen? Het leek erop. Ik houd het daar maar even op. 


About this entry