‘Zullen we boontjes doen?’

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Zaterdagmorgen, een willekeurige supermarkt, het loopt tegen elven. De vroege vogels zijn al weer thuis, de auto wassen of de krant lezen. Het is nu tijd voor de echtparen, de stellen. Nu is de winkel een onherbergzaam oord. Werkelijk de allerslechtste muziek aller tijden schettert uit de speakers en bederft het beste humeur.

Dit moment, dit terrein is een paradijs voor antropologen. Een  man geketend aan de kar, zijn vrouw vraagt van alles, maar het zal hem worst zijn. Hij verveelt zich, maar is te beleefd om het te zeggen. Zijn blik spreekt echter boekdelen. Kom niet in zijn buurt, rijdt niet tegen zijn karretje aan, sta hem niet in de weg, ontploffingsgevaar! Wil hij iets in de kar leggen, dan ‘is het te duur, niet nodig of hebben we het pas op en toen vonden we (ja, we!) het niet lekker, weet je nog?’ Nee, dat weet ie niet meer. Bij het vlees en de drank veert hij nog even op, maar de rest, niks aan. Soms zie je onderhuidse spanning, ze wil het leuk en gezellig maken, maar hij is een getergd dier, in een vreemde omgeving. Het gaat haar niet lukken. Als ie zich maar koest houdt, dat is in elk geval wat.

Hij houdt zich niet koest. Hij wil ook wat te zeggen hebben. De hele week door vreet hij wat ze hem voorzet. Waarom is er nooit biefstuk met rijst en zoete appeltjes? Waarom geen saté op woensdag, maar als het er al is, altijd op zaterdag? Waarom eigenlijk? Vraagt hij nou zulke gekke dingen? Nee toch? Maar zijn inbreng, zijn wensen worden niet op prijs gesteld. Met zachte hand en wat onnozel gebrabbel wordt hij met een kluitje in het riet gestuurd. Hij kijkt in de kar en ziet de week al weer voor zich opdoemen. Maandag bruine bonen uit een potje met sla en en een gebakken ei met spek. Lekker, maar niet altijd op maandag. Dinsdag iets Grieks uit een onduidelijk pakje en zakje, oneetbaar, maar o zo gemakkelijk. Woensdag, ze flikt het hem, ge-hakt-dag. Ze durft wel. Donderdag is het markt, dus iets van vis. En vrijdag gemakkelijk, soep met brood. De troosteloosheid, de voorspelbaarheid. Tergend. Het weekend zou een feestje kunnen zijn, maar het lukt niet meer. Pils spoelt alles weg en verzacht de pijn.

En zij? Ze is het zat, de fantasie is op, ze kookt al zo lang. Het commentaar heeft zich als zuur naar binnen gevreten, ze kan niet meer. Maar ze geeft nooit -NOOIT- de pannen uit handen, Want waar blijf je dan? Het is al erg genoeg dat hij zich over de barbecue ontfermt. Verbrand vlees, verkoolde spiesen, ongare vis en kip, het is Russisch roulette. Nee, van de pannen blijft hij af. Maar ze heeft wel door, ze kan hem niet meer paaien. Rudolf, Jamie, Gordon, zijn zij de reddende engelen? Is hun gekwetter in de camera, hun gekletter met pannen de wake up call, die dit troosteloze paar weer wakker roept? Nee, slachtoffers die ze zijn van commercieel geweld, kunnen ook zij deze culinaire catastrofe niet meer keren. Er zit maar één ding op. Het is een paardenmiddel, maar het werkt wel: een moestuin. Al is ie maar één vierkante meter. Je bent eigenlijk al veel te laat, maar kom op, het kan nog.

 

 


About this entry