Exit

P9210637

De wond aan zijn been was aan het rotten, onmiskenbaar. De weeë geur van de dood vulde de kleine ruimte van zijn box. De verzorgingsrobot was defect. Er werden wel allerlei handelingen uitgevoerd, maar het lampje ‘out of supply’ bleef knipperen. Wat de robotarmen deden werd nu steeds pijnlijker. Een paar maal had hij het commando voor pijnstillers gegeven, maar blijkbaar waren de receptoren voor de pijnmeting of defect of verkeerd afgesteld. Hij dacht het laatste. Al drie dagen had hij geprobeerd contact te krijgen met de centrale die de zorgapparatuur aanstuurde. Een reactie bleef uit. Ongeveer evenlang geleden had hij voor het laatst geluid gehoord dat leek op de aanwezigheid van een menselijk wezen. Vroeger sloften er wel eens mensen door de gangen. En nog veel vroeger ging er wel eens een luikje open. Dan zag hij een gezicht. Een gezicht, hoe zag dat er ook weer uit? Ja, hij kon zich gezichten herinneren natuurlijk, maar een recent gezicht, dat was bijna onmogelijk. Staan, dat zou wel nooit meer gaan met zo’n rottend been. Dat moest in dit stadium geamputeerd worden. Nog een wonder dat de infectie niet was doorgedrongen in de rest van zijn lijf. Zou er dan wel iemand komen? Of zou hij met box en al naar een andere unit worden getransporteerd? ‚Je komt hier niet gemakkelijk uit’, dat was een van de laatste berichten die hij had doorgekregen vlak voor zijn ‚opname’.

Het was geen opzet geweest. Er was eenvoudigweg geen ruimte tussen de wand en de politierobot. En toen had hij die aangeraakt. Bijzonder gevoelig afgesteld zijn die toestellen. Het had hem een forse beenwond opgeleverd. En een stevige straf. ‚Molest van een robot in functie.’ Uit de camerabeelden bleek dat niet onomstotelijk, maar voor die nuance heeft geautomatiseerde rechtspraak geen ruimte. Eerst in een groepscel. Maar zijn beenwond leverde te veel commotie op. Dus toen de zorgtoren. En daar lag hij nu drie jaar, veel langer dan zijn straftijd. Maar omdat er geen communicatie mogelijk is, behalve voor het geven van heel specifieke commando’s voor voeding, drank, sanitaire activiteiten, medische zorg en calamiteiten, kon hij niet duidelijk maken dat hij er uit wilde. Daar was geen commando voor. Het was hem opgevallen dat het regime in die drie jaar drastisch versoberd was. Voeding bestond nu nog uit een soort brij die middels een soort sonde werd toegediend. Het herinnerde hem aan verhalen van ganzen die onder dwang gevoed werden. Sanitaire activiteiten werden steevast begeleid met een reiniging door hogedrukspuiten. Het water werd gerecycled, dat was te ruiken. En de wondverzorging was wel een staaltje high tech, maar de apparatuur was niet storingsvrij. Vroeger werd er nog gecontroleerd, maar de controle was waarschijnlijk wegbezuinigd.

Waren er nog andere mensen in dit gebouw? Waren er nog andere ‘cliënten’ in deze unit? Lagen er nog mensen in boxen naast hem? Vroeger hoorde hij wel eens een zacht gekreun of dof gestommel, maar de laatste maanden niet meer. Zou er een manier zijn om te bewegen? Om aandacht te trekken? Had hij niet alles geprobeerd? Elke afwijking in gedrag werd opgevolgd door een maatregel. De voedingssonde afwijzen of verkeerd laten manouvreren? Een tijdje geen voeding meer. De ophangbanden proberen op te rekken? Drie dagen totale duisternis en extra aangesnoerde banden. Commando’s eindeloos herhalen, herroepen, saboteren? De communicatie werd voor onbepaalde tijd verbroken. Er knipperde wel al die tijd een blauw licht in je box. Dat functioneerde tot nu toe uitstekend. Slechts een keer was hij na de maatregelen nog doorgegaan met wringen, roepen en schreeuwen. Dat kwam hem op een aantal forse stroomstoten te staan. Het had hem zelfs brandplekken opgeleverd. Hem restte niets dan wachten.

-‘Alle units zijn geruimd?’

-‘Alle units zijn gecontroleerd en geruimd.’

-‘Goed, dan halen we het gebouw om 11.30 uur precies neer.’

Advertisements

About this entry