Later, als ik groot ben…

P1110792

Lezer, jij bent naar alle waarschijnlijkheid al groot. Dat later is nu. Je hoort het in je omgeving vast wel eens zeggen. En dan glimlach je. Vroeger zei je het ook. Maar dat was toen. Ik zeg het nog steeds, met een gekke bek. ‘Later, als ik groot ben…’ Ik blijf het doen, bewust. Want iets in mij blijft het jongetje met de dromen. En waarom zou ik stoppen met fantaseren en visioenen hebben? Omdat ik nu al ‘groot’ ben? Heb ik dan mijn dromen verwezenlijkt? Of juist opgegeven, afgeleerd?

Ik denk nog regelmatig aan de dromen van dat jongetje van vroeger. ‘Ik word directeur van een dierentuin van kleine beestjes.’ Geen, wonder, er kon in de tuin niets rondkruipen of ik had het in mijn vingers.  Mijn vader haalde die opmerking nog wel eens aan. Nee, ik ben het niet geworden. Nog steeds ben ik gefascineerd door insecten en andere ongewervelden. Waar anderen griezelen, raak ik geïnteresseerd. Schrijven, ik doe het weer. Schilderen, zingen, reizen, wandelen, hardlopen, allemaal kleine en grote kinderdromen. Sommige nooit weggeweest, andere weer tot leven gewekt. Of groter nog, ik wilde ook ‘iemand’ worden, geen piloot of filmster, ben je gek, maar iemand die ergens verstand van had.

Leer mij kinderen kennen! Ze leggen je in de luren met hun sociaal wenselijke antwoorden. Ik hoor ze bijna denken: ‘Och och, weer een volwassene die van ons het kunstje verwacht. Laten we maar meespelen, is anders ook zo zielig. Piloot! Dokter! Professor! De Baas! Moeder! Zo, zijn ze ook weer tevree.’ Alsof kinderen niet veel complexer en genuanceerder over hun toekomst denken… Maar goed, misschien moet ik voor mezelf spreken.

En, lezer, je bent ook geduwd natuurlijk. Ik moest maar tandarts worden, of dominee. Onderwijzer was ook netjes. ‘Nee, toch liever iets in de bèta-hoek, scheikunde, natuurkunde, dat soort dingen. Kunst, muziek? Daar valt geen droog brood in te verdienen.’

Het gaat niet alleen om de dromen over later. Het gaat om het verlangen er achter. Als kind deed ik van alles. Dat is me afgeleerd. ‘Dat komt toch niet van pas.’ Het wordt niet altijd hardop gezegd, een kind voelt het wel aan. Stom genoeg luister je dan nog ook. Om er later achter te komen dat je je passie kwijt bent.

Je kan haar weer vinden, je passie. Door regelmatig te zeggen: ‘Later, als ik groot ben.’ Dan ga je onwillekeurig terug naar je kindertijd en je kinderdromen. Die waren zo gek nog niet. En je denkt, net als ik: Maar zo oud ben ik nog niet, dat ik niet meer dromen kan! En weet je wat leuk is? Nu je groot bent, heb je toch meer te vertellen, je hebt meer vrijheid, meer mogelijkheden wellicht om je droom te realiseren. In ieder geval een stukje ervan.

Nu, nu ik groot ben, is het tijd dat mijn droom uitkomt. Aan de slag! En blijven dromen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA


About this entry