ZACHEÜS

DSC_3282

 Pardon, mag ik…?

Jij? Nee, jij niet. Uitzuiger!

Nou ja zeg, ik moet ook mijn brood verdienen!

Jij verdient een pak slaag, landverrader! Onderkruipsel!

Wacht maar, ik krijg nog geld van je. Ik stuur wel een paar mannetjes op je af!

Ach man, voor jou ben ik niet bang. Van mij kan je de boom in!

Zo gaat het overal, Zacheüs komt er niet tussen. De mensen staan rijen dik langs de straten. En hem laten ze er zeker niet tussen. Hij ziet niks van Jezus, alleen achterwerken ziet hij. Boos loopt hij achter de massa langs. Hij wil die rabbi uit Galilea toch echt zien. Een bijzondere man, hoort hij overal. Iemand die zegt waar het op staat. Een eerlijk man.

‘…de boom in…’ Ze kijken me met de nek aan. Niet zo gek eigenlijk. Ja, eerlijk, nee, dat ben ik niet. Als klein opdondertje moet je toch wat. En dit baantje is niet verkeerd. Ik verdien geld als water. Wat ik aan lengte te kort kom, haal ik aan rijkdom ruimschoots in.

‘…de boom in…’ Dat is het! Zacheüs rent vooruit, springt over een uitgestoken voet heen, duwt behendig een arm opzij en ziet dan een dichtbebladerde vijgenboom, die helemaal over de weg zijn takken heeft. Hij klimt naar boven, zover mogelijk boven de weg. Jezus moet hier wel langs, hij zit hier prima! Van niemand last.

Daar is hij, de rabbi. Eigenlijk een gewone man. Hij is nu vlakbij, hij loopt onder Zacheüs door en… staat stil. Waarom kijkt hij nou om zich heen? Wie zoekt hij? Het ziet zwart van de mensen. Toch zoekt hij iemand. Zacheüs kijkt ook. Geen idee wie Jezus zoekt. Dan kijkt hij weer naar beneden. Recht in de ogen van de rabbi. Jezus’ ogen vangen de zijne. Zacheüs houdt de adem in. Betrapt. Daar zit een steenrijke man met een zijden jas als een kwajongen in een boom. Dat is lachen! Ja, de rabbi lacht, vriendelijk.

‘Ik zou zo graag bij jou over de vloer komen, kan dat?’ Hij valt bijna uit de boom van verbazing. Jezus? Bij mij, Zacheüs? Zocht Jezus hem daarnet? Dat kan niet waar zijn, hij vergist zich. ‘U, bij mij?’ ‘Ja, ik bij jou. Als je het goed vindt.’

Met zijn kleine benen rept hij zich door de straat, naar zijn huis. Jezus loopt mee. Dan gaan die twee naar binnen. Het kan hem niet schelen dat de mensen kijken met hun zure gezichten, hun afkeurend gemompel. De rabbi, wereldberoemd in Judea en verre omstreken, bij hem aan tafel. Yes!

‘Ziet u, ik ben blij dat u er bent. Nu weet ik het zeker, ik breek met dit leven. Wat een opluchting, ik kan het zomaar zeggen, ik ben een dief, ik heb gestolen. Veel te veel gevraagd. Ik maak schoon schip, ik geef alles wat ik niet hoorde te vragen terug, met rente! Ik weet het, dat kost me kapitalen. Maar ik ben een ander mens, weet u. Ik weet niet wat me overkomt, samen met u aan tafel.’

Ik zie Jezus glimlachen. Hij knikt, neemt een slokje wijn. Hij knikt weer goedkeurend. Dat is lekkere wijn, Zacheüs! En wat hij dan zegt vergeet ik mijn leven niet meer:

‘Ik hef het glas op deze zoon van Abraham!’ Ik hoor er bij, opnieuw, God heeft mij gezien, Hij heeft me niet afgekeurd, maar in zijn armen gesloten. En daarom wil ik een eerlijk man zijn. Zoals God naar mij kijkt, zo wil ik kijken naar de mensen om mij heen. Ik kan hen weer recht in de ogen kijken. Ik ben Zacheüs, een zoon van Abraham, een kind van de Allerhoogste. Godzijdank!

 

 

Gespreksvragen:

‘Jezus is veel te mild voor die man. Zacheüs komt er mooi mee weg!’ Wat vind jij?

‘Wat verkeerd van de mensen om Zacheüs heen. Geen wonder dat het zo’n geldwolf en afzetter was.’ Wat vind jij?

Moet Zacheüs een ander beroep kiezen nu hij bij Jezus hoort?Of kan hij ook een eerlijke belastingambtenaar zijn?

Advertisements

About this entry