Een vuilwit konvooi

DSC_4954

Zoef je met een comfortabele 130 over de Autobahn, moet je in de remmen omdat een caravanner het in zijn hoofd haalt om een ander in te halen, met een slakkengangetje, want ja, met die sleurhut achter je auto, dat schiet niet op. En het mag niet eens, op dat tijdstip. Vaak rijden ze in konvooien, vuilwit, roomwit, grijswit, vergeeld wit, in maten en soorten. Ze worden elk jaar groter en luxer. Op het dak een airco, een schotel en nog zo wat. Achterop een fietsdrager, met daarop fietsen, of zelfs een heuse scooter. Als de inhaaloperatie na een kwartiertje is afgerond en er een fikse file is ontstaan, kunnen we weer verder met 130. Elk jaar trekt, de grijze golf voorop, een fors volksdeel er met hun tweede huisje op uit. ‘Escargootje, Us Hus, ’t Slakkie, ’t Hoompie’: de mooiste koosnamen prijken op het polyester geval. Jaar op jaar worden tienduizenden kubieke meters lucht verplaatst van de winterstalling naar zonniger oorden.

Niet alleen op de weg veroorzaken de caravanners een hoop overlast. Op parkeerplaatsen nemen ze ongegeneerd zes tot zeven plaatsen voor personenauto’s in beslag, vaak ook ’s nachts, want ze overnachten in hun huisje op wielen. Ze moeten de kosten van de winterstalling weer ergens terugverdienen en hun reistijd is nu eenmaal langer.

Eenmaal op de plek van bestemming is het uitpakken geblazen: de fietsen, de skuttelbraai of barbeque, de megaligstoelen, de partytent, het windscherm, de parasollen, de voortent, met daarin de magnetron, de feestverlichting, het tuinstel en de terrasverwarming. En de scooter als het even kan. De caravanner heeft het allemaal bij zich. Binnen bevinden zich een aanrecht met gootsteen met kraantje met stromend water, een koelkast, een heteluchtverwarming (en airco), een portapotti, in de doucecel. Een TV ontbreekt ook niet, want de Tour de France! Natuurlijk is er een kledingkast met passpiegel. Er zijn zitbanken, twee tafels, bovenkastjes, schemerlampjes, en vaak hangt er vitrage voor de ramen. Geen wonder dat de caravanner niet meer zonder mover kan, het loodzware gevaarte is niet meer met menskracht te verplaatsen. Natuurlijk moet er elektriciteit voorhanden zijn, anders gaat het feest niet door.

Er is na het lezen van deze opsomming eigenlijk maar één conclusie mogelijk: een caravanner is een settler, geen reiziger. Hij/zij haat kamperen. Een caravanner gruwt van een gemeenschappelijke afwasplek, moet niet denken aan een gemeenschappelijk toilet, wenst liever geen gebruik te maken van gemeenschappelijke douches, kortom, voelt zich stiekem ongelukkig op een camping.

De ware kampeur daarentegen kent geen beter onderkomen dan een tent. De kampeur verplaatst zich met een auto waarin alles zo efficiënt mogelijk wordt gepropt. Hoe minder mee, hoe beter. Liever nog zou hij liftend of per openbaar vervoer op de plek van bestemming aankomen, met alleen een rugzak waarin zich alles bevindt. Het dunne doek scheidt hem of haar van de buitenlucht. Koken gebeurt gehurkt onder een luifeltje op een eenvoudig kookpitje, slapen geschiedt op een matje in een slaapzak. De weinige kleding wordt bewaard en een plastic zak of weekendtas. Minimalisme is het devies. De kampeur en de caravanner, ze kunnen eigenlijk niet door één deur. Ze spreken elkaars taal niet.

Helaas, de kampeur wordt steeds verder uit zijn habitat verdreven. Waar hij vroeger op plekken kwam die voor caravans en campers onbereikbaar waren, moet hij steeds vaker met lede ogen aanzien hoe de kampeerplaats steeds comfortabeler wordt. Waar hij zich vroeger waste met koud water uit de beek en in een houten hokje zijn behoefte deed, maar waar verder niets te krijgen en te beleven viel, ‘verstedelijkt’ nu de camping. Er komen (o gruwel!) vakken met nummers, er verschijnen luxe gebouwen, bestrating, terrassen, er komt een kiosk, een frituur, een winkeltje, een animatieteam, een bingo-avond, een muziekfestijn. De camping wordt een stad, de rust en stilte en de natuur verdwijnen, de caravanner begint zich thuis te voelen, de kampeur ervaart vervreemding.

Er rest mij -als kampeur- niets dan verder te trekken, op zoek naar de plekken waar de caravanner nog niet kan komen, waar rust en stilte nog heer en meester zijn, waar het allemaal nog primitief toegaat. Ze zijn er nog, die plekken. Nee, ik vertel je niet waar. Een kampeur vindt ze wel, en een caravanner breng ik liever niet op het idee…

P.S. Ik heb na de vakantie wel wat uit te leggen. Twee van mijn zwagers zijn caravanners. Dat wordt een stevig gesprek.


About this entry