Buxtehude, Quemadmodum desiderat cervus

Quemadmodum desiderat cervus… (BuxWV 92)

‘Als een hert, dat smacht naar fris water.’ De aria’s van Dieterich Buxtehude ontroeren me diep. Of het nu zijn vertolking van ‘Membra Jesu Nostri‘ is, of deze sacrale aria’s. Ik luister naar een uitvoering door  Emma Kirkby, Michael Chance, Charles Daniels en Peter Harvey. Het Purcell Quartet begeleidt hen. Het is een meesterlijke vertolking, helder, eenvoudig en ingehouden. Daardoor is het juist emotioneel geladen. Buxtehude heeft tekst en melodie werkelijk perfect weten te paren. De klankkleur is niet beter te treffen. Vaak antwoordt de instrumentale muziek direct op de gezongen tekst, alsof de violen instemmen met het gezongene. Buxtehude heeft een rijk klankpallet, wat vooral op het conto komt van de viola da gamba. Hij doet ook betoverende dingen met de ciacona in de baslijn. Het geeft een toon van zoete en droeve herinnering.

Chaconne (of passacaglia, of ciacona)

We hebben hier dus te maken met een dans, van waarschijnlijk Spaanse origine. Althans, de compositie is daarvan afgeleid. Al luisterend kan je meebewegen. Het verlangen, het smachten klinkt door in elke toon en klank. Wie de tekst leest, eerst die van de oorspronkelijke psalm (42), maar ook de Latijnse vertolking, ziet dat Buxtehude niet beter had kunnen kiezen. De Latijnse tekst ontleent slechts een paar strofen aan de psalm en wijkt dan sterk af. Waar de oorspronkelijke psalm het verlangen en de herinnering aan betere dagen vertolkt, gaat de tekst die Buxtehude gebruikt over de vreugde die de gelovige ervaart als hij de Eeuwige zelf ontmoet. Ik moet zeggen: melodie en tekst passen uitermate goed. Het zou een andere aria geworden zijn als Buxtehude de psalmtekst had gevolgd.

Aria

De Aria is het favoriete werk van Buxtehude. Hij vertoont teksten van zijn favoriete dichters: Johann Rist, Ernst Christoph Homburg, Johann Scheffler (ook bekend als Johann Angelus Silesius), Heinrich Müller, en Ahasverus Fritszch. De dichters hebben een hang naar persoonlijke (piëtistische) vroomheid gemeen, maar of Buxtehude dat weer met hen gemeen heeft is de vraag. De theologische trend was wars van latijnse teksten (Buxtehude gebruikt ze vaak), Italiaanse composities (ook daar is Buxtehude door geïnspireerd) en versieringen in orgelpartijen (luister maar naar zijn orgelwerken!). De hang naar eenvoud is niet in zijn werk terug te vinden. Werden aria’s bij voorkeur solo en dus eenstemmig gezongen, met minimale begeleiding, Buxtehude componeert ze voor meer stemmen en versiert ze, zij het niet overdadig. De instrumentale partijen hebben een zelfstandige rol in de stukken, vaak meer dan alleen een begeleidende rol.

Ritornello

Het regelmatig gebruik van een ritornello acht ik een bewijs van de eigen muzikale opvatting van Buxtehude, haaks op het theologisch standpunt in die tijd. Let ook eens op het uitgebeide ‘Amen’ of ‘Alleluja’ waarmee hij zijn stuk afsluit.


About this entry