Goed doen

DSC_3281

‘Sta ik in supermarkt, vraagt zo’n kind: ‘Mevrouw, hebt u een Euro?’ Dus ik zeg: ‘Waarom?’ ‘Nou, anders kunnen we die chips niet kopen.’ Ik zeg: ‘Ga toch weg! Koop maar een appel!’ Brutaal vind ik dat. Ik heb zo’n hekel aan dat gebedel. Met zo’n accordeon bij de flappentapper. Nou, ik geef niks! Aan de straatkrant geef ik ook niks. En alle collectes stuur ik ook door. Behalve kanker, die krijgen geld. En reuma, ook. En de Hartstichting, die geef ook wat. Maar verder? Ze zoeken het maar uit. Ik ben daar gek, het kost klauwen met geld. En ’t is nergens goed voor.’ Haar haar wordt gewassen door de kapster en ondertussen pakt ze uit over het schaamteloos bedelgedrag, waar ze helemaal klaar mee is. Het valt toch nog niet tegen. Het Wilheminafonds, het Reumafonds en de Hartstichting kunnen op haar rekenen. Ik vraag me af waarom die drie wel en de rest niet. Ze geeft geen geld aan iemand persoonlijk, wel als er een ernstige ziekte mee bestreden wordt. Ik begrijp het al: die kan ze zelf ook krijgen.

Waarom geeft een mens aan goede doelen? Waarom geeft een mens iets aan een ander, die behoeftig is? Ik heb ook een hekel aan verkopers van Straatnieuws en aan accordeonisten bij geldautomaten. Ze kijken me recht in de ogen. ‘He, rijke stinker! Ik zie je wel, met je mooie schoenen en je dure jeans! Kom eens over de brug, krent. Je kunt best wat missen.’ Natuurlijk, ik projecteer die zinnen. En dan maak ik me kwaad, zodat ik verontwaardigd niks hoef te geven. Ik geef natuurlijk wel geld aan goede doelen. Allen maak ik het netjes over, zodat ik het weer keurig kan aftrekken als gift. Scheelt weer.

De bomen en het bos

Ik word ook wel eens moe van alle bedelbrieven en -mails, en van de studenten die me op straat proberen staande te houden, omdat het toch ver-schrik-ke-lijk belangrijk is dat zeehondjes en dolfijnen en dansberen worden gered. Of vrijheidsstrijders verbandmiddelen kunnen kopen. Of Terres des Hommes of Artsen zonder Grenzen of Amnesty International of het Rode Kruis hun werk kunnen doen. O ja, wie had het het hardst nodig? Iedereen? Dacht ik al. Ik los het (deels) op door een bedrag per maand (en nog een bedrag per jaar) te geven aan de Diakonie. De Diakonie? Ja, de Diakonie. En die mag het dan gaan herverdelen. Daar zijn ze voor, ze zijn het gewend om te schuiven met geld voor goede doelen. Daarnaast heb ik nog wat goede doelen die me na aan het hart liggen, die krijgen een bedrag per maand. Bij rampen ben ik altijd heel traag. Eerst even de mist laten optrekken. Is het geld voor Haïti goed terecht gekomen? Lag er pas niet ergens voedsel op de kades te verrotten? Doken er geen pakketten op in Italië, bestemd voor de slachtoffers van overstromingen in Afghanistan? Ik wil het weten. Niet om niet te geven, maar om gericht te geven.

Genoeg?

Nee, het is nooit genoeg. ‘Make poverty history’ was de slogan. Armoede groeit. Er komen vluchtelingen bij. Onrecht neemt toe, het aantal mensen in nood groeit. Er wordt steeds meer gevraagd van gulle gevers. Niet alleen mondiaal stijgt de nood. 1 op de 9 kinderen in Nederland leeft onder de armoedegrens. Vorig jaar kwamen er 50.000 bij, de stand staat nu op 400.000 en voorlopig zal het aantal nog stijgen. Ik heb niet de illusie dat de nood ooit gelenigd wordt door liefdadigheid. Ik geloof wel dat er ooit een dag komt dat alle misère over is. Dan wordt er niet meer gebedeld of gecollecteerd. Dan wordt nog wel accordeon gespeeld, puur voor het plezier. Dan bestaat er geen Reumafonds meer, dan rukken de Artsen zonder Grenzen niet meer uit, dan hoeven er geen mijnen meer geruimd en geen verminkte kindertjes meer opgelapt. Ooit komt die dag…

Advertenties

About this entry