I HAVE NO IDEA WHAT I WANT

In een winkelstraat in Vevey (CH) staat een paspop met dit t-shirt (of nachthemd? Jurkje?). Een kledingzaak, mooie kleding, dure merken. Het statement staat als een huis. Steeds meer mensen hebben geen idee meer wat ze willen. De vrijheid die ons geboden wordt doordat de techniek ons onbegrensde mogelijkheden biedt, de vrijheid die we ons kunnen verwerven door de rijkdom die we bezitten -ten koste van anderen- is een bedreiging geworden. Onze vrijheid maakt ons stuurloos.

John Paul Getty III

John Paul Getty III is een voorbeeld van iemand die het leven dat voor hem lag niet aankon. Toegegeven, zijn ontvoering om losgeld heeft er in gehakt. Letterlijk: hij verloor een oor. Maar het leven dat hij daarna koos te leven heeft voor mij toch alles te maken met het motto op het t-shirt. ‘Op zijn achttiende huwde hij – tot grote woede van zijn grootvader – de zes jaar oudere Duitse starlet Martine Zacher en verhuisde naar Los Angeles, maar daar verdronk hij helemaal in een cocktail van drugs en alcohol. ‘Het interesseert me niet. Niet iedereen in de familie wil miljardair worden.’ Geld kwam goed van pas toen de lever van John Paul III het in 1981 begaf en hij na zes weken coma zwaar verlamd en bijna blind ontwaakte.’ I have no idea what I want. J.P. Getty III stierf op 54-jarige leeftijd.

Hautain

Ik heb getwijfeld of ik Getty wel ten tonele moest voeren. Het geeft geen pas om hautain naar anderen te wijzen. ‘Zij hebben geen idee wat ze willen! Ik wel!’ Wat wil ik dan? Bij vlagen heb ik een notie, maar meestal moet ik ook zoeken naar de zin van het leven. Antwoorden uit het verleden geven niet altijd aanwijzingen voor de toekomst. Het leven is te groot voor pasklare antwoorden. Er is teveel chaos in het bestaan. Ik kan mijn bestaan natuurlijk inperken, levend in mijn eigen cocon, alles buitensluitend wat me verontrust. Ik zal ze niet graag de kost geven die het op die manier oplossen. Het moet soms ook wel. Anders ga ik als een Atlas gebukt onder het dragen van de gehele wereld. Maar alleen leven voor mij zelf alleen, daar pas ik voor. ‘Niemand van ons leeft immers voor zichzelf alleen, en niemand sterft voor zichzelf alleen’, zegt Paulus, een volgeling van Jezus. Dat is heel wat anders dan Simon en Garfunkel zongen in ‘‘:

A winter’s day, In a deep and dark December;
I am alone,
Gazing from my window to the streets below
On a freshly fallen silent shroud of snow.
I am a rock,
I am an island.

I’ve built walls,
A fortress deep and mighty,
That none may penetrate.
I have no need of friendship; friendship causes pain.
It’s laughter and it’s loving I disdain.
I am a rock,
I am an island.

Don’t talk of love,
But I’ve heard the words before;
It’s sleeping in my memory.
I won’t disturb the slumber of feelings that have died.
If I never loved I never would have cried.
I am a rock,
I am an island.

I have my books
And my poetry to protect me;
I am shielded in my armor,
Hiding in my room, safe within my womb.
I touch no one and no one touches me.
I am a rock,
I am an island.

And a rock feels no pain;
And an island never cries.

In het lied wordt vaag verwezen naar ‘betere tijden’. Ervaringen hebben de zangers verbitterd. Voor een hele generatie zijn die twee een soort morele gidsen geweest. Dat werkte toen zo, een zanger gaf richting. Een eenling, een kleine groep kan massa’s mobiliseren. Maakbaarheid bestond nog. Is het in deze tijd mogelijk? Kan solidariteit, kan een gezamenlijk doel, een gezamenlijke visie weer opbloeien? Dan moet je wel een idee hebben van wat je wil. ‘I have no idea what I want.’ De dromen van toen, ze zijn niet waar geworden. De kiem van ontgoocheling hoor je al in ‘I am a rock’.

Perspectief – beperkt of gesloten?

Op individueel niveau is er genoeg idealisme en ondernemingszin. Ik ken ze van dichtbij, mensen die blijven geloven in een betere wereld, een andere samenleving. Ik zelf ook, anders waakte ik niet bij Kamp Zeist, probeerde ik mijn ecologische voetafdruk niet te verkleinen, schreef ik zelfs dit blog niet. Maar gezamenlijk? Wellicht heb ik er nooit veel in gezien.

Focus

Om echt wat van de grond te krijgen moeten mensen wel samenwerken. Daarmee begint direct een hoop gedoe. Ik merk dat ik me dan verlies in de onderlinge interactie en de blik op het beoogde doel kwijtraak.

‘Make no little plans’

Make no little plans. They have no magic to stir men’s blood and probably themselves will not be realized. Make big plans; aim high in hope and work, remembering that a noble, logical diagram once recorded will never die, but long after we are gone will be a living thing, asserting itself with ever-growing insistency. Remember that our sons and grandsons are going to do things that would stagger us. Let your watchword be order and your beacon beauty. Think big.

Daniel Burnham, Chicago architect. (1846-1912) 

Burnham maakt me één ding duidelijk: een doel, een ideaal moet me overstijgen. Nu zie ik om mij heen overheden, belangengroepen bezig met technische zaken, met kleine doelen. Moet orka Morgan worden vrijgelaten voor de kust van Noorwegen? Het boeit me niet. Moet de uitstoot van CO2 worden teruggebracht? Best belangrijk, maar het inspireert me niet. Ondertussen doet een hele industrie moeite om me te verdoven zodat ik geruisloos door de tijd glij, zonder ook maar iets tot stand te brengen. Denk groot. Dankjewel , Burnham, maar is architectuur groot genoeg? Jij dacht naar mijn smaak ook nog te klein. Ik wil groter, met minder neem ik geen genoegen. Gaat het me lukken?

Rilke

Jij hebt ze vast ook, schrijvers, dichters, die je je leven lang vergezellen. Heb je ze niet? Zorg direct dat je ze krijgt! Ze zijn zuurstof voor je ziel. Een van hen die mij vergezellen is Rainer Maria Rilke. Als voorbeeld zijn gedicht ‘Was wirst du tun, Gott, wenn ich sterbe?

Was wirst du tun, Gott, wenn ich sterbe?
Ich bin dein Krug (wenn ich zerscherbe?)
Ich bin dein Trank (wenn ich verderbe?)

Bin dein Gewand und dein Gewerbe,
mit mir verlierst du deinen Sinn.

Nach mir hast du kein Haus, darin
dich Worte, nah und warm, begrüßen.
Es fällt von deinen müden Füßen
die Samtsandale, die ich bin.

Dein großer Mantel lässt dich los.
Dein Blick, den ich mit meiner Wange
warm, wie mit einem Pfühl, empfange,
wird kommen, wird mich suchen, lange –
und legt beim Sonnenuntergange
sich fremden Steinen in den Schoß.

Was wirst du tun, Gott? Ich bin bange.

Heel veel begrijp ik er niet van, maar ik heb het idee dat Rilke God probeert te chanteren. God raakt veel kwijt als hij niet meer in Rilke -in de mens, in mij- investeert. Als hij niet zorgt dat ik kan leven. Zo – heel kort door de bocht- verleent God zin aan een mensenleven, eenvoudig weg doordat ik besta. Zonder mens, zonder mij, zou God alleen zijn. Mensen hebben God gemaakt tot wat hij nu is -volgens Rilke. Er staat dus veel op het spel. Natuurlijk zullen gelovigen – ik sluit me hierbij aan- in alle toonaarden beweren dat het niet zo is maar andersom. Toch heeft Rilke geen ongelijk. Al was het maar omdat er zo zin aan het bestaan valt te ontlenen. Ik leef, want God kan niet zonder me. En als vanzelf ga ik op zoek wat hem beweegt om mij te laten leven. En als vanzelf raak ik gemotiveerd om er dan ook maar wat van te maken. De ene dienst is de andere waard, niet waar?

Wat zo’n nachthemd al niet teweeg brengt…

Advertenties

About this entry