Alpen

Messscherp steken de toppen af tegen de diepblauwe lucht. Daaronder ligt de gletsjer, met blauwe en groenige tonen onder een pak vuilwitte sneeuw. Ik mis mijn vader. Ik kan hem niet bellen en zeggen dat ik van het uitzicht geniet. Hij is al jaren niet meer onder ons. In de Alpen denk ik aan hem. ‘Rosenlaui! Of de Jungfrau gezien vanuit Wengen!’ Berner Oberland, daar was hij het liefst. Hij kende het goed, ging er van jongs af aan op vakantie.

Ik koop in het winkeltje in het dorp een droge worst, met hertenvlees. Een kruidige en lichtzoete smaak, echt die van wild. Ik hoef geen worstje meer voor hem mee te brengen. Ik weet zeker dat hij het heerlijk zou vinden. Een gevoel van gemis en de pijn die er bij hoort laten zich niet sturen. Er gaan weken voorbij dat ik niet aan hem denk en soms zijn er dagen dat hij niet uit mijn gedachten is.

Ik ontdek meer en meer trekjes van hem in mijzelf. Sommige staan me aan, andere niet, zo gaat dat. Ik zeg het tegen mijn lief, dat ik hier in de bergen aan mijn vader denk. Ze knikt, ze snapt het. En dan denk ik ineens aan hoe hij het nu zal hebben. Waar is hij nu, en hoe is hij nu? ‘Misschien geniet hij nu wel van iets dat het uitzicht op de bergen en de smaak van een worstje te boven gaat.’ Ik moet even heel diep zuchten.


About this entry