Membra Jesu Nostri

Al weken luister ik naar ‘Membra Jesu Nostri’ van Dietrich Buxtehude. Het stuk weigert me los te laten, ook al is de Passietijd al lang voorbij. Anke de Bruijn nodigde me, ik geloof twee jaar geleden, maar het kan ook verleden jaar zijn geweest, uit om te komen luisteren naar een uitvoering ervan in het Beauforthuis. Ik was ‘stupéfait’. Ik kende het werk wel, en had er fragmenten van gehoord, maar meer in het voorbijgaan. Een integrale uitvoering van een dergelijk niveau was me nog niet ten deel gevallen. En nu luister ik en luister ik…

Waar gaat het over? Heel kort gezegd zijn het zeven stukken, zeven liederen in een cyclus, over zeven ledematen van het lichaam van Christus aan het kruis. De volledige Latijnse titel luidt: Membra Jesu Nostri patientis sanctissima. Vertaald: De meest heilige ledematen van onze lijdende Jezus. De tekst, in het latijn, wordt toegeschreven aan Bernard van Clairvaux (1090 – 1153) : ‘Rhytmica oratio ad unum quodlibet membrorum Christi patientis et a cruce pendentis.’ Dat is discutabel: de oudste manuscripten zijn jonger dan de sterfdatum van Bernard. Waarschijnlijker is dat ze afkomstig zijn van de Middeleeuwse dichter Arnulf van Louvain (Leuven), die stierf in 1250. De verwarring is ontstaan doordat de tekst was opgenomen in de verzamelde werken van Bernard van Clairvaux. Maar die zijn een paar honderd jaar na zijn dood pas tot stand gekomen. Qua spiritualiteit past ‘Membra Jesu Nostri’ perfect in het denken van Bernard. Belangrijker is het karakter van de tekst. Want waar gaan de zeven gedichten over? Zoals gezegd over zeven ledematen. We beginnen met de voeten.

Ad Pedes

Ecce super montes, pedes evangelizantis et nunciantis pacem. Salve mundis salutare,salve, salve Jesu care! Cruci tuae me aptare vellem vere, tu scis quare. Da mihi tui copiam. Clavos pedum, plagas duras, et tam graves impressuras circumplector cum affectu, tuorum memor vulnerum. Dulcis Jesu, pie Deus. Ad te clamo, licet reus: Praebe mihi te benignum, ne repellas me indignum, de tuis sanctis pedibus.

Aan zijn voeten

Hier op de heuvel, zijn de voeten van de boodschapper die de vrede verkondigt (Nahum 1:15). Ik groet u, Redder van de wereld. Ik groet u, beminde Jezus. In waarheid, ik zou me aan uw kruis willen nagelen, u weet waarom. Schenk me de rijkdom die van u uitstroomt. De nagels in uw voeten, de vreselijke wonden en de wrede tekenen, ik omhels ze met tederheid, met ontzag ben ik vervuld bij uw aangezicht en bij de herinnering aan uw wonden. Beminde Jezus, rechtvaardige God, Ik roep u aan, indien de aangeklaagden dat toegestaan zij/is: Wees ons genadig, en verwerp me niet, die onwaardig is.

De dichter haalt een tekst van de profeet Nahum (2: 1) aan, die een beeld oproept van een bode die een tijding van vrede brengt. Hij komt van ver gelopen om te melden dat de strijd is afgelopen. Dat brengt bij de (angstig) wachtenden grote vreugde teweeg. Het doet denken aan de ‘geliefde’ voeten van de vredebode uit de profetie van Jesaja (52: 7-10). Maar hier gaat het om de doorboorde voeten van Jezus. Zijn dood brengt ook vrede teweeg, tussen God en mens. Het beeld past perfect. De dichter verzoent zich met de wreedheid en het bloed. Mell Gibson heeft deze scène in zijn ‘The Passion of the Christ’ uitgebeeld door Maria, Jezus’ moeder, de bebloede voeten van haar zoon te laten kussen. We zien het bloed op haar lippen. De dichter is partij in het conflict. Hij weet zich de aangeklaagde. Jezus hangt daar voor hem, die voeten zijn doorboord voor hem. Daarom wil hij zelf aan het kruis genageld worden (‘u weet waarom’). Het is een gedicht vol emoties, van schuldgevoel, van liefde, van schaamte, van tederheid en dankbaarheid. Maar ook van vrees: mag de gelovige eigenlijk wel zo dichtbij komen en de voeten aanraken van de stervende Jezus? Hij smeekt om genade, terwijl hij weet deze onwaardig te zijn. Het is een gedicht vol tegenstellingen. De gelovige weet dat de dood van Jezus de enige manier is om de relatie tussen God en mens te herstellen. Het feit dat Jezus zijn leven geeft zou als een bevestiging van Jezus’ bereidheid en liefde kunnen worden opgevat. Maar de gelovige heeft er niet ‘genoeg’ aan, hij vraagt God om ontferming, om kracht, hij omhelst de voeten van zijn redder.

Mystiek

Wat hier beschreven staat is niet voor iedere gelovige herkenbaar en invoelbaar. Je moet er mysticus voor zijn, en je moet je kunnen vinden in de verhouding tussen God en mens zoals hier beschreven. Dat was voor de Middeleeuwer anders dan voor ons nu. God, de Schepper, de Algebieder, heeft recht op je leven en jij, mens, rebel, leeft in ongehoorzaamheid. Je hebt een Middelaar nodig die voor jou in het krijt treedt, je schuld betaalt en door zijn leven te geven de toorn van God stilt. Door het offer van Jezus Christus aan het kruis kan je je dood zonder verschrikken tegemoet zien. Je gaat immers naar de hemel, oord van gelukzaligheid. Wij, mensen uit de 21e eeuw, zijn geëmancipeerd. Onze verhouding tot God is een heel andere. We voelen ons veel gelijkwaardiger en hebben God veel vriendelijker en meer benaderbaar gemaakt. Mij bekruipt wel de vraag wie er nu ‘gelijk’ heeft, Arnulf of ik? Arnulf heeft de oudste papieren, dat in ieder geval. En als ik geen karikatuur maak van Arnulfs beeld van God val ik hem bij. Want ten diepste spreekt uit de overgave van Jezus aan deze gruwelijke dood uiteindelijk onbaatzuchtige liefde.

Dietrich Buxtehude

Wat moet een Luthers componist met deze tekst? Heel vreemd is het niet dat Buxtehude zich hierdoor heeft laten inspireren. Binnen het Lutheranisme bestond een Piëtistische stroming die zich heel goed kon vinden in deze innige en mystieke spiritualiteit. Johann Sebastian Bach heeft voor zijn Mattheuspassion samengewerkt met Picander, die het libretto ervoor schreef. Ook daar tref je een soortgelijke spiritualiteit. Bach zelf was van een wat orthodoxer en ‘zakelijker’ spiritualiteit.

Latijn

Kan een tekst die in het latijn wordt gezongen me wel raken? Blijkbaar. Ook als ik me niet bewust ben van wat er gezongen wordt -nu ik het zo vaak gehoord heb blijft me de betekenis steeds beter bij- voel ik de emotie van de dichter en van de componist. In eerste instantie word ik geraakt door de schoonheid van de compositie en de behandeling van de taal in de muziek. Daarna dringt de boodschap tot me door. En via de emotie die het geheel teweeg brengt kom ik tot aanbidding. Ik voel me op zo’n moment verbonden met Arnulf. Nee, ik weet niet zeker of hij de dichter is en nee, ik weet niet wat hij voelde toen hij het opschreef. Evenmin kan ik weten wat Buxtehude beleefde toen hij de compositie schreef. Ik verbeeld me maar wat. Dat doet er niet toe. Met ontzag ben ik vervuld bij Uw aangezicht…


About this entry