column: Vakantie, of 1 km3

De rails glimmen van de regen, die zachtjes valt. Water loopt in dunne straaltjes van de dakpannen van het stationnetje van Poschiavo. Het is niet koud in het zuiden van Zwitserland, al laat de zon het even afweten, tenminste, hier onderin het dal. We gaan toch maar mee omhoog met de trein van de Bernina-Express, die ons over de pas hoopt te brengen naar het Engadin. Al snel duikt het spoor de bossen in, donker en druipend van de regen. De locomotief zwoegt als we klimmen. Het spoor lijkt vastgeplakt aan richels langs de bergwand. Als ik naar beneden kijk zie ik soms diepe afgronden. Uitzicht is er niet: een witte mist van wolken wordt afgewisseld door het duister van donkere keertunnels, uitgehakt in de bergwand. Daarbinnen is het benauwd, het ruikt er naar metaal en dieselolie. ‘Cavaglia!’ Het is de eerste halte na Poschiavo. Niemand verlaat de trein, niemand stapt in. Ondertussen regent het niet meer. Door gaat de reis, verder omhoog langs een onmogelijk traject. De trein schokt en schommelt. Dan staan we een poos stil, de luidspreker zwijgt. Een andere trein komt ons tegemoet en kan alleen hier passeren. Grommend komt de trein weer op gang.

 ‘Nächste Haltestelle Alp Grüm! Alp Grüm!’ klinkt het uit de luidsprekers boven ons hoofd. Even later komt de trein tot stilstand. We hebben een hoogte  van meer dan 1000 meter gewonnen. Er is hier nauwelijks plaats voor een station. De rails lijken hier te stoppen. Recht voor ons rijst de donkere bergwand op. Alleen de opening van een tunnel maakt duidelijk dat je toch verder kunt. We zijn de enigen die uitstappen. De bewolking hangt laag, de wereld is klein, uitzicht ontbreekt.

We gaan het wachtlokaaltje in, een duister vertrek met een kale houten vloer. Daar ploffen we op een ongemakkelijke bank. We wachten. In de standaard met ansichtkaarten zie ik foto’s van het station. Alleen het gebouwtje, verder beelden uit de streek en van de Berninapas. Hier is kennelijk niets te beleven.

 De tijd is van ons, we blijven eeuwig in dit wachtlokaal. Langzaam wordt het wat lichter, de bewolking trekt op. We zijn anderhalf uur verder gereisd, in de tijd. Ik rek me uit en sta op. De rugzak hijs ik op mijn rug. Mijn lief stopt haar drinkfles er nog in en gaat er even aan hangen. ‘Hé!’ Ze lacht. Zo zie ik haar het liefst, als ze lacht. Dan wil ik naar buiten.

We lopen het perron af en draaien om het gebouwtje heen, het pad verdwijnt in het bos. Er is niemand hier, de stilte ligt als een damp tussen de stammen. Waar voert dit pad ons heen?

Dan houdt het bos abrupt op, het pad maakt een scherpe knik naar links. Voor mij is niets. Links van mij ook niets. Of toch, in de verte door de wolkenflarden, de vallei. Rechts van mij 1000 meter niets, en dan een kolossale rotswand, verticaal omhoog. De ijle mist wordt dunner, de zon wint aan kracht en de bewolking breekt. Boven ons verschijnen plekken hemels blauw. Voor me ontwaar ik nu ook iets. Ook daar rotswanden, op grote afstand. Dooraderd met wit gesteente. Mijn blik volgt de wand omhoog en stuit op een majestueuze gletsjer. Het ijs schittert in de zon, wit en groen en bleek blauw. Water stroomt uit de diepe scheuren en stort zich op de rotswand. Die kleurt diepzwart en lijkt wel te bewegen door de film van water die er vanaf stroomt. Messcherpe sneeuwtoppen steken af tegen de intens blauwe lucht. Onder me, als ik over de rand van het ravijn durf te kijken ligt een plateau. Hier en daar een grasvlakte, er lopen koeien, kleine stipjes zijn het. Bergen en wolken weerspiegelen in het gladde oppervlak van een meer. Een beekje meandert naar de rand van het plateau en verdwijnt in de diepte.

Water horen we, het suizen van stromend water. En heel zacht, soms, het luiden van een koeienbel. Verder niets dat de stilte doorbreekt.

Vakantie. Een kubieke kilometer niets, omgeven door rotsen, ijs, water en een azuurblauwe lucht. Verpakt in een serene stilte. Hier mag mijn hart ophouden te kloppen. Van hieruit loop ik zo de hemel in, naar een eeuwige vakantie.

Advertenties

About this entry