column: Libanon, vakantieland! (1986)

‘Wist u dat niet? Er zijn geen vluchten op Beiroet. De luchthaven ligt te vaak onder vuur. U kunt wel met de boot.’ Ik ben zojuist geland op Larnaca, Cyprus. Mannen in kaki uniformen met enorme petten lopen heen en weer en leiden de stroom reizigers naar de aankomsthal.

Ik weet niet beter of in Beiroet wordt er op gerekend dat ik vanavond nog arriveer. Bellen gaat niet, telefoonverkeer met Libanon is vrijwel onmogelijk. Opvallend gemakkelijk kom ik aan een ticket voor de boot en ben ik met een uur ingescheept, op weg naar Libanon. Ik breng de nacht aan dek door. De zee is spiegelglad.

 De volgende morgen worden alle passagiers in de eetzaal bijeengebracht. Militairen met kalashnikovs posteren zich voor de deuren. Een voor een moeten we onze reispapieren overhandigen aan een man met een imposant uniform, die ons in steenkolenlengels vraagt wat we in Libanon te zoeken hebben. ‘The Netherlands?’ De man heeft geen idee waar dat land ergens ligt. Mijn vriendelijke blik en de onschuldige inhoud van mijn weekendtas zorgen ervoor dat ik van boord mag. De kade staat vol mensen. Ik zie heel wat kartonnen bordjes met Arabische opschriften. Mensen herkennen elkaar en begroeten elkaar luidruchtig. Er is geen bordje te bekennen met mijn naam erop. Drie of vier taxichauffeurs bieden me hun diensten aan: ‘Sir, good driver! Cheap!’ Ik kies op goed geluk een zwaarbesnorde man die bij een stokoude Mercedes staat. Ik heb geen adres, wel een telefoonnummer. ‘I want to make a call, please.’ Hij kijkt me aan of ik gek geworden ben. ‘Impossible, but maybe.’ We rijden door een kermis van verkeer naar een gehavend gebouw. Op de stoep staan en zitten wachtende mensen. Binnen is het niet anders. Ik vraag mijn chauffeur, die meegelopen is, waar deze mensen op wachten. Het blijkt dat de telefoon het zo nu en dan doet. Daar wachten ze op. Aan een loket word ik vriendelijk te woord gestaan in een wonderlijk mengsel van Engels en Frans, doorspekt met Arabische woorden. Ik mag mijn geluk beproeven in een cel, maar veel hoop geeft de dame achter het loket me niet. Na een kwartier geef ik het op. De chauffeur loopt met me naar buiten en zegt dat ik bij hem thuis wel een poging kan wagen. Ik ga op zijn aanbod in. Bij hem thuis zitten zijn vrouw en schoonmoeder bonen te doppen, zijn twee kinderen hangen wat rond en kijken nieuwsgierig naar die buitenlander. Het lukt me het nummer te bereiken dat ik heb meegekregen. ‘Can I stay with you a couple of nights?’ Ach, de man zou wel willen, maar hij woont in Oost-Beiroet. En ik bevind me in West-Beiroet. Geen zinnig mens waagt zich over de ‘Green Line’. ‘Snipers, you know?’ Maar hij kent wel iemand aan mijn kant. Of hij even met de chauffeur kan praten. In rap Arabisch wordt de chauffeur duidelijk gemaakt waar hij me moet brengen. Na een half uur word ik inderdaad hartelijk ontvangen. Een boom van een vent met een enorme knoflookkegel sluit me in zijn armen en zoent me op beide wangen. Salaam! …

 … Mijn Arabische chauffeur mompelt iets onverstaanbaars, zet de auto aan de kant van de weg en loopt weg. Ik blijf zitten, want we bevinden ons in de Bekaa-vallei, midden in het gebied van Hezbollah, de Partij van God. Op de muren van de huizen prijken enorme portretten van bebaarde imams. Een zwaar gesluierde vrouw loopt met een tas met prei door de straat. Verderop staat de deur van een kapperszaak open. Binnen ligt iemand achterover in de stoel terwijl de kapper het mes op zijn wangen zet. Mijn chauffeur is al een uur weg en ik weet niet waarheen. Durf ik als blanke Europeaan hier de straat op? Ik heb geen idee wat de man aan het doen is, zelfs niet of hij nog van plan is om terug te komen. Ik fantaseer dat hij hasj (de rode Libanon) of heroïne aan het scoren is. Ik heb de akkers gezien waar hennep en papaver verbouwd wordt, velden zover het oog reikt. Na nog een uur, ik heb behoorlijk dorst gekregen, stap ik uit de wagen en ga op zoek naar een winkeltje om wat water te kopen. Het gehucht, in de buurt van Al Atbaa, is uitgestorven. Hier vind ik geen enkel herkenbaar woord, alles wat gedrukt en geschreven is, is in het Arabisch. Zo moet een analfabeet zich voelen. Dan komt een vrouw op me af. In mijn beste Arabisch wens ik haar vrede en vraag haar, hopelijk in de goede verbuiging, hoe het met haar gaat. Ze lacht en begint te ratelen. Ik kan er geen touw aan vast knopen. Dan komt het woord ‘chai’ langs. ‘Ja, chai!’ Daar heb ik wel zin in. Ze wenkt me mee. Voor de deur van haar huis wijst ze me op de stoep te gaan zitten. Ze gaat naar binnen en komt even later terug met een dienblad met glaasjes thee, een potje suiker en een grote schaal vol gebak van bladerdeeg. Terwijl ik me uitput in dankbetuigingen drink ik de mierzoete thee en neem van het gebak. Dan komen om de hoek van de straat drie mannen aangelopen, recht op mij af. Vanmorgen ben ik bij mijn vertrek uit Anjar nog gezegend door een Duitse non, ‘Schwester Helga’. ‘Sei Gott befohlen.’ Daar ben ik nu wel blij mee.

Alleen hoop ik dat Allah me ook onder zijn gezegende hoede wil nemen…


About this entry