Jan Sluijters in het Singer – 2

Opnieuw bezocht ik de tentoonstelling van het werk van Jan Sluijters in het Singer in Laren, nu met mijn lief. Ik had haar benieuwd gemaakt door een positief verhaal over mijn bezoek. Het was behoorlijk druk vandaag, veel mensen uit de omgeving -het Gooi-, dat kan je horen en zien. Opnieuw raakte ik onder de indruk van het vakmanschap van deze schilder.

Elisa en de Sunamitische vrouw

Zijn proefstuk waarmee hij de Prix de Rome 1904 verwierf heb ik aandachtig bekeken. Mensen om mij heen prezen de clair obscur in het werk. Inderdaad valt het volle licht op de overleden jongen die door de hand van Elisa weer tot leven wordt gewekt. Zijn ogen zijn nog gebroken op het schilderij, zijn moeder houdt het levenloze lichaam in haar armen. Het beeld is dramatisch. Sommigen noemen direct Rembrandt als ze het zien. Mij doet het toch meer aan Caravaggio denken, er zit dynamiek in het schilderij, die is bij Rembrandt soms wat afwezig. De stofuitdrukking wordt geprezen en die is ook schitterend. Het is niet vreemd dat we denken aan schilders van meer dan drie eeuwen eerder: dat was de opdracht.

Femmes qui s’embrassent

Als ik dit schilderij zie en daarna kijk naar ‘Femmes qui s’embrassent’ begrijp ik de ophef die het laatste teweeg bracht een beetje. Ik weet niet of dit schilderij scandaleus was vanwege zijn erotische implicatie of vanwege de uiterst gedurfde schilderstijl, die in alle opzichten afweek van wat geaccepteerd was. De jury die hem de prestigieuze Prix de Rome had verleend was furieus omdat hij ‘‘het valsche vernuft der nieuwste Fransche richting huldigde’. Zijn ‘Bal Tabarin’ was al even hevig. Zelden zag ik licht zo uitbundig weergegeven als hier. Te gewaagd, te frivool. Maar omdat zijn werk zoveel stof deed opwaaien bezorgde het hem ook faam. Die faam is terecht, hij koppelde zijn onbetwiste vakmanschap aan durf en visie voor vernieuwing.

Verderop in de tentoonstelling is te zien hoe hij diepgaand beïnvloed is door Van Dongen, Picasso, Van Gogh. Ik zie ook invloeden van Kandinski en Jawlenski, hoewel ik er niet zeker van ben dat hij hun werk gezien heeft. Hij vervalt nooit in kopieerwerk, hij verwerkt het in zijn eigen stijl. En laat het ook weer los. Zijn latere naakten doen in de verte denken aan Modigliani, anatomisch niet ‘verantwoord’, zo gestileerd, maar ze zijn toch anders. De laatste zaal, met portretten in opdracht doet me het minst. Maar een schilder mag best gearriveerd zijn. Van Gogh is in zijn korte leven nooit gearriveerd, maar wat zou er van hem geworden zijn als hij de 70 had gehaald? Sluijters heeft zijn punt gemaakt, zijn bijdrage geleverd. Wat me een tikje dwars zit is wat we er nu mee doen. Publiek, al te zeer op leeftijd, kijkt er naar, tevreden. Maar ook bezadigd.


About this entry