50 jaar

Verkeersborden stonden er in de tuin: 50. In de oprit een grote opblaas-Abraham. Het was iedereen duidelijk: hier is iemand 50 jaar geworden. Binnen is het een drukte van belang: vrienden, kennissen en familie vieren het feest mee. Op de muur worden foto’s van de afgelopen 50 jaar geprojecteerd. Van baby tot man van middelbare leeftijd. De gasten laten zich niet onbetuigd. Er zijn liedjes ingestudeerd en ze worden met verve ten gehore gebracht. De 50-plussers en de 50-minners bestrijden elkaar muzikaal. De inhoud draait om allerlei ouderdomskwalen. De snelheid neemt af, het zicht wordt slechter, het gehoor ook. Je wordt strammer, kaler en humeuriger. Een tweede lied, gebracht door zijn sportvrienden, is op het platte af: incontinentie, impotentie, dat soort thema’s komen aan de orde. Het wordt (hard) lachend gebracht. De meeste 50-plussers zijn nog niet zo oud dat de kwalen hen al ernstig kwellen. De 50-minners niet meer zover van de 50 af dat ze zich niet kunnen indenken wat het betekent om hier een halve eeuw rond te lopen. Wat doen we eigenlijk als we de ouderdom, de aftakeling en de eindigheid uitdagen en belachelijk maken? Is het een bezwering, een verwerking? Het is ze aan te zien de 50-ers: bij de vrouwen slaat de zwaartekracht meedogenloos toe: er gaat van alles hangen aan gezicht en lijf. De rek is er uit. Bij de mannen trekt de haargrens op en verkleurt het haar naar grijs. Er zijn heel wat brillen (en lenzen) in de zaal. Onder de mannen is een sixpack ver te zoeken. Het lijfelijk verval heeft breed ingezet. Geestelijk zijn we nog behoorlijk in orde, gelukkig.

Ik herinner me nog hoe ik deze groep 50-ers op de verjaardagen van mijn ouders aantrof. Ik vond het als jongere behoorlijk confronterend. Hoe kon ik weten dat je de strijd tegen de tijd zou opgeven? Nu ben ik zelf een 50-plusser en inderdaad, ik heb de strijd opgegeven. Ik pluk de vruchten van mijn senioriteit. En ik weet dat vrijwel niemand de tweede helft volmaakt. En als je dat al lukt, hoe ben je er dan aan toe? Is het erg? Het ligt er aan wat je van het leven verwacht en wat het je bracht.

Handen vol zand

Ik hoorde het verhaal als volgt: een moeder en dochter lopen langs het strand, een dagje uit. De volwassen dochter klaagt over het leven dat (te) veel van haar vraagt. Ze komt niet aan zichzelf toe. Haar moeder bukt zich en vult beide zanden met fijn droog zand. Dan gaat ze voor haar dochter staan. Ze opent de ene hand. Het zand blijft rustig op haar handpalm liggen. De andere hand balt ze tot een vuist. Hoe harder ze knijpt, hoe meer zand haar ontglipt. Haar dochter snapt het.

Zand

Het beeld zette me aan het denken. Ik merk dat het leven zich meer en meer gedraagt als zand. Het is een opeenhoping van kleine korrels. Vroeger ging het nog ergens over. Er zaten kiezels tussen, of soms hele keien. Waar zijn die gebleven? Het kost moeite om een echte boom op te zetten. Een thema dat meer dan een gesprek duurt, het wordt zeldzaam. De vervluchtiging van de tijd heeft te maken met de vele verantwoordelijkheden: oud wordende ouders, volwassen wordende kinderen, de komst van kleinkinderen, de carriere is nog niet ten einde, er vinden ontwikkelingen in je relatie plaats, etc. In zo’n situatie vraagt het inspanning om met grotere thema’s aan de slag te gaan. De tredmolen van het leven kan heel dwingend zijn.

Ruimte voor de ziel

Het zand ontspannen op je hand laten liggen, hoe doe je dat? In ieder geval niet door dagelijks aan je aftakeling te denken. Leven in het nu helpt in ieder geval. Maar een wijder perspectief, dat dit leven overstijgt, dat helpt me meer. Ik ben blij dat ik dat wijder perspectief niet zelf hoef te bedenken, het is me gegeven… Oud worden, aftakelen, het blijft een stevige opgave met een karige beloning. Maar: ‘Dit is geen einde nog…‘.


About this entry