Wat doet een Hollander in Kassel?

Met mijn lief ben ik een paar dagen in Kassel. Nee, niet voor de Documenta. Dat was een goede reden geweest. Ook niet voor de historische binnenstad, want in 1943 heeft een geallieerd bombardement de binnenstad van Kassel in de as gelegd. We zijn hier om te praten met Frau Professor Doctor Petra Freudenberger-Lötz. Ze is verbonden aan het Institut für Evangelische Theologie. Daar vertegenwoordigt ze het Fachgebiet Religionspädagogik.

We bezoeken haar omdat ze een autoriteit is op het terrein van kindertheologie. Ze onderzoekt en publiceert regelmatig. We worden hartelijk ontvangen en ze blijkt veel tijd voor ons vrijgemaakt te hebben. We bespreken eerst met elkaar de verschillende concepten. In Nederland wordt de dienst uitgemaakt door de verschillende methodes die op de markt zijn: Kind op Maandag, Trefwoord, Vertel het maar, etc. Het godsdienstonderwijs neemt op de protestants christelijke scholen een bepaalde plaats in. De invulling is sterk afhankelijk van de leerkracht. Door tijdgebrek is de voorbereiding minimaal en gemak dient de mens: een verhaal is gauw gekopieerd en voorgelezen en de verwerking is een hapklaar brok. Gaat daar genoeg van uit? Voelt een kind zich uitgedaagd?

Freudenberger gaat uit van de kracht van het kind zelf. Kinderen conceptualiseren voortdurend. Door hun vermogen te benutten in het godsdienstonderwijs leren ze op een manier die goed bij hen past. In haar Habilitationsschrift besteedt ze ruim aandacht aan het constructivisme. Bij ons krijgt dat aandacht in het Ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO)*. Door het kind met de eigen vragen en concepten centraal te stellen ontstaat een veel krachtiger leren. En wat het kind dan leert is ook veel meer verinnerlijkt.

Ik heb aan dit bezoek vooraf met verschillende mensen gesproken. Er is scepsis: leert het kind op deze manier wel het nodige en het juiste? Ik proef aarzelingen en weerstand. Het is ook zo anders dan wat we gewend zijn.

Petra antwoordt met gemak. Wat wil je bereiken? Dat een kind inhouden krijgt opgedrongen en die van buiten leert? Wat voor effect zullen die hebben bij het opgroeien? Welk beeld ontstaat bij een kind op die manier over geloven? Nu al is de combinatie van kind en kerk geen gelukkige. Zodra ze puberen verlaten ze massaal de kerk. Slechts een enkeling keert weer terug.

Na een uur gaan we naar een seminar, een Forschungswerkstatt. Een aantal studenten heeft een onderzoek voorbereid. Ze gaan scholieren vragen naar hun godsbeeld en dat vergelijken met het godsbeeld dat ze twee jaar eerder hadden. Het materiaal is bewaard en de studenten zoeken een verantwoorde manier om de scholieren er mee te confronteren. Ze willen weten of er een ontwikkeling is te bespeuren en op welke wijze de denkarbeid in de scholier plaatsvindt. Er worden drie groepen onderzocht, er zijn drie groepen studenten met drie verschillende lessen. Naast de verschillen valt me op hoe belangrijk de mening van de scholier gevonden wordt. Logisch, zul je zeggen, want die wordt onderzocht. Maar wat er gebeurt past wel in het onderwijs dat geschoeid is op de principes van de kindertheologie.

Ruard Ganzevoort schreef al een reeks artikelen onder de kop ‘Hoe houden we de kerk bij de jeugd?’ Juist geformuleerd, want de meeste mensen denken ‘Hoe houden we de jeugd bij de kerk? Mijn lief merkt op dat kinderen die opgroeien in een klimaat dat de principes van de kindertheologie volgt helemaal ongeschikt zijn voor de kerk: die voelen zich in de kerk helemaal niet serieus genomen. Ik ben het met haar eens. Samen menen we dat dat weliswaar jammer is, maar dat het wel een generatie kan opleveren die geloven weer verbindt met het leven van alledag. Voor hen komt het niet van boven- of buitenaf. Het is een onderdeel van hun bestaan.

Zo bezien is de invoering van godsdienstonderwijs op basis van de principes van de kindertheologie winst. Als ik wat beter kijk naar de wijze waarop godsdienstonderwijs nu gegeven wordt en het vergelijk met de inspanningen die worden geleverd voor al het andere onderwijs dan merk ik een behoorlijk verschil in prioriteit. Petra Freudenberger merkte wel op dat kindertheologie niet bedreven kan worden door iemand die zelf niet gelooft. Dat vind ik voor de Nederlandse context geen onbelangrijke opmerking. Mijn lief merkte op dat ouders in de medezeggenschapsraad weinig begrip hadden voor het belang van godsdienstonderwijs en voor het feit dat een leerkracht binding zou moeten hebben met het christelijk geloof. ‘Iedereen kan zo’n verhaal vertellen en een les draaien’. Jaja, en willen ze ook dat hun kinderen Nederlandse taal krijgen van iemand die geen native speaker is? Nee dus. Het gaat dus weldegelijk om het belang dat je er aan hecht. Christelijk onderwijs is natuurlijk veel meer dan het godsdienstonderwijs. Het gaat om het arbeidsethos, het mensbeeld, de onderlinge bejegening en dergelijke zaken. Blijkbaar hebben sommige ouders daar ook geen idee van.

De dag erop zijn we aanwezig op een Gesamtschule. Een groep studenten doet onderzoek (onderleiding van een studente/aio, Stephanie Görk) naar de concepten die leerlingen maken van de schepping. Het is klas 7, vergelijkbaar met onze brugklas. Door de grondige aanpak en uitstekende planning zijn de leerlingen zeer betrokken en gedisciplineerd bezig. Door de goede vraagstelling en intensieve begeleiding komt het tot wezenlijke vragen. Eerst worden parallelle begrippen voorstellingen bij ‘schepping’ losgemaakt. In drietallen brengen de leerlingen heel wat te voorschijn. Adam & Eva, vulkanen, levende wezens, universum, wereld, God, van alles komt langs en wordt geordend.

Daarna kiezen leerlingen uit vier groepen foto’s hun favoriet. De thema’s zijn voor hen verborgen, maar blijken: Schepping door God, Natuur, De oerknal en Vervuiling. De laatste kiest niemand. Dan begint het benoemen. De leerlingen kiezen zelf op grond van afbeeldingen titels. Dat gaat ze goed af. Vervolgens, en dat is pittiger, bedenken ze drie vragen bij hun favoriete thema. Hier gaat het denken echt een laag dieper. Werd bij de Oerknal de mogelijkheid dat God er niet de hand in had eerst afgewezen, later werd de vraag veel belangrijker waarom die eigenlijk plaatsvond.

Bij de Schepping door God kwam de twijfel op: droeg God de aarde eigenlijk wel op handen? Waarom was het begonnen? En ging het nog door?

Tot slot konden de leerlingen van de negen vragen die er uit de drie groepen bij de gekozen thema’s gekomen waren een stikker plakken om het belang ervan aan te geven. Daarmee was de les ten einde. Meer dan een uur waren ze geconcentreerd bezig geweest maar nu was de pijp leeg. Buiten scheen de zon, pauze!

Goed om het in de praktijk te zien, om na te gaan of het in de Nederlandse context ook zou kunnen. Ik ga het komend cursusjaar in ieder geval proberen. U hoort nog van me…

 

*Ontwikkelingsgericht Onderwijs mag niet zonder meer gerelateerd worden aan het (sociaal) constructivisme. Onlangs stuitte ik op artikelen waarin ernstig bezwaar wordt gemaakt tegen deze koppeling. ik moet me daar nog in verdiepen maar voel me wel geroepen daar nu even een opmerking over te maken. Wat ik hierboven beweer is dus niet juist. Ik zal kijken of ik daar nog een artikel aan kan wijden. Mijn excuses…

Advertenties

About this entry