Passiemuziek in de Veertigdagen tijd

De vier avonden zijn voorbij. Samen hebben we geluisterd naar een selectie van muziek van de vroege Middeleeuwen tot en met de Barok. Of nee, er waren twee stukken nog van voor de Middeleeuwen. Een Kyrie met duidelijk Arabische invloeden uit de derde eeuw en een Romaans stuk uit de vierde eeuw. Op de deelnemers had het een vervreemdend effect: we associëren het christendom zo met het Westen dat we ophoren van christelijke muziek uit de bakermat van het christendom. De Middeleeuwen worden vaak vereenzelvigd met het Gregoriaans. Ook daar hebben we naar geluisterd. Wat vrijwel iedereen opviel was de harmonie in die muziek. Wel werd het als weinig emotioneel ervaren. Waarom zong men zo? Wel, het was de bedoeling dat in de kerk het Evangelie klonk. Dat werd gereciteerd. Er werd dus gestreefd naar een verstaanbare zang. Vandaar dat het unisoon gezongen wordt: meer zangers, maar op een toon. Dat is het knappe van het Gregoriaans. Wat ook wel een ontdekking was voor de deelnemers was de politieke bijbedoeling: Karel de Grote was een groot liefhebber en voorstander van het Gregoriaans en vanuit Metz, waar hij zetelde, stimuleerde hij deze wijze van zang. Achterliggende gedachte was dat als iedereen in zijn rijk op deze wijze zong (of werd toegezongen, want als leek hield je je mond in de kerk) dat de eenheid bevorderde. Van een scheiding van kerk en staat was toen geen sprake.

Crucifixen

We hebben ook stil gestaan bij de verandering van het beeld van Christus aan het kruis. De oudste afbeelding die ik liet zien was een ivoren miniatuur uit de vierde eeuw. Daarop is Judas te zien die zich verhangen heeft aan een boom (dat wordt beschreven in het evangelie van Mattheus: ‘Toen Judas, die hem had uitgeleverd, zag dat Jezus ter dood veroordeeld was, kreeg hij berouw. Hij bracht de dertig zilverstukken naar de hogepriesters en oudsten terug en zei: ‘Ik heb een zonde begaan door een onschuldige uit te leveren.’ Maar zij zeiden: ‘Wat gaat ons dat aan? Zie dat zelf maar op te lossen!’  Toen smeet hij de zilverstukken de tempel in, vluchtte weg en verhing zich’). Daarnaast staat Christus aan het kruis , geflankeerd door Maria, zijn moeder, en Johannes, een volgeling. Christus staat rechtop, heroïsch. majesteitelijk. Het contrast met Judas kan niet groter. De christenen hadden in het prille begin zelf moeite met een kruiseling als de stichter van hun godsdienst: het was een van de wreedste executies voor misdadigers en slaven. In het begin werden ze daar ook mee bespot. Er was in de eerste eeuw ook nog geen eigen beeldtaal. De afbeelding van de criofoor (de god draagt een schaap op zijn schouders) werd door christenen graag geadopteerd, het sluit perfect aan bij het beeld van de goede herder dat Jezus voor zichzelf gebruikt. Daarna komt Christus in beeld als de triomferende vorst, rechtstreeks ontleend aan de keizercultus (verheven blik, victorieteken, op een troon, met aureool). Pas daarna komt de gekruisigde in beeld en gaandeweg wordt hij steeds meer de man van smarten: een uitgemergeld en getormenteerd lijf. Waar hangt dat mee samen? De Middeleeuwer vereenzelvigt zich meer en meer met de lijdende. Daarnaast verandert de samenleving: in de groeiende steden komt de burgerij op, de adel zwakt af, reizen en handel komen op, er ontstaat een markteconomie. In die omgeving komt de theologische notie op dat Christus voor onze zonden heeft geleden (en betaald) en is gestorven. Natuurlijk was die notie al aanwezig in het evangelie, maar de accenten verschuiven. De deelnemers begrepen de selecties van de muziek nu beter en anders: er werd een perspectief aan toegevoegd.

Renaissance

Er was nog een verschuiving: staat aanvankelijk de bijbeltekst centraal, steeds meer komen de emoties van de bijbelse personages aan de orde. Staat daarin aanvankelijk Jezus Christus centraal, meer en meer valt het licht op degenen die hem omringen. Gaat dat ten koste van ‘het verhaal’? Nee, integendeel. Het wordt voor de toeschouwer steeds beter invoelbaar. Ik vind het ook wel mooi: het lijdensevangelie incultureert voortdurend.

Cursusleider

Als cursusleider houd ik de vervreemding levend. De deelnemer moet scherp blijven, moet zich blijven afvragen waarom hij/zij hoort wat hij/zij hoort, wat de bedoeling van de componist is, waarom de tekst zo is geschreven of vormgegeven. Ik had de stukken geselecteerd en kon dat verantwoorden. Niemand vroeg om ander materiaal, of zelfs waarom ik dit of dat had gekozen. Hoewel ik een geïnteresseerde leek ben, is in de loop van de jaren mijn kennis van het repertoire gegroeid. Dat maakt kiezen gemakkelijker. Vaak hoorde ik mensen zeggen dat ze het mooi vonden, zowel het stuk als de uitvoering. Ik snap dat, het is ook prachtig. Tegelijkertijd is ook dat vervreemdend, want het gaat wel om de vertolking van iets gruwelijks.

Naarmate we vorderen in de tijd wordt het aanbod aan muziek rijker en worden de werken gedetailleerder. De muzieknotatie wordt geperfectioneerd en we worden ons meer en meer bewust van de interpretatie van de uitvoerenden. De deelnemers komen er echt in, ze geven vaker hun mening en hun commentaar. Niet alleen op muzikaal terrein, ook als het gaat over geloofsbeleving en theologie. Want er worden keuzes gemaakt en invloeden getraceerd.

De Mattheüspassion naar het manuscript van Uppsala (1667)

Een prachtig werk van een anonieme meester beluisteren we. Opmerkelijk zijn de antisemitische trekken. Zelden werden de Joden van zulke valse stemmen voorzien. Ook Heinrich Schütz gebruikt ‘foute’ akkoorden en combinaties op het moment dat de ‘Jodenkoren’ klinken. De deelnemers vragen zich af waarom ik aandacht besteed aan het antisemitisme in de muziek. Het voelt wat ongemakkelijk, iets waar je zo intens van kunt genieten heeft blijkbaar foute trekken. Zou het bij Bach ook het geval zijn? De Brockespassion van Telemann komt voorbij, voor velen toch onbekend werk. En dat Händel op grond van het zelfde gedicht ook een Passion heeft geschreven is ook niet iedereen bekend. Johann Sebastian Bach is zo bekend dat hij anderen in de schaduw stelt. Al luisterend ontdekken we dat dat onterecht is, er is naast zijn muziek zoveel moois te horen. Alsof we een onontdekte wereld betreden.

De Johannespassion

De derde avond wordt in zijn geheel gevuld met fragmenten uit de Johannes, die ik persoonlijk het mooist vind. Ik schreef er al eerder over. We luisteren naar de uitoering door de Nederlandse Bachvereniging onder leiding van Jos van Veldhoven. Een uitgewogen uitvoering, met liefde en aandacht voor elk detail! De uitleg die ik geef over de Johanneïsche theologie komt binnen. Een afwijkende visie op Jezus Christus, met gnostische trekjes, en dat heel indringend vertolkt door Bach, dat is opmerkelijk. Ik merk wel dat de Johannes minder bekend is bij de deelnemers.

De Mattheüs

De laatste avond luisteren we naar fragmenten uit de Mattheüs. Ook hier ontdekken we in het openingskoor het thema dat de toon zet: het Lam van God, de lijdende knecht van de Heer, geofferd voor de zonden van de mensen. Hier wordt duidelijk dat Bach de orthodoxe Lutherse theologie volgt, uiteraard geholpen door de teksten die Picander schreef. Hebben beiden Mattheüs goed begrepen? In ieder geval hebben ze theologische accenten gelegd. Of wij die vandaag weer zouden leggen? We beginnen met het openingskoor zoals uitgevoerd onder Mengelberg. Gedragen, traag bijna, en zo massaal! 450 uitvoerenden zette hij in en dat kan je horen. Een ander laat een uitvoering horen onder leiding van Chailly. Te snel volgens velen, te haastig. Dat valt vaker op: de oudere deelnemers zijn opgegroeid met een veel langzamere Mattheüs met een veel grotere bezetting. Het is en blijft wennen, die kleine bezetting en die veel sneller en lichter uitgevoerde versie. Maar de teksten en muzikale accenten komen wel beter tot hun recht. De stukken zijn zo bekend, dat het moeite kost om je ervan te ‘vervreemden’. Dat is wel nodig om ze opnieuw echt te horen.

Slot

‘Mache dich, mein Herze, rein,

Ich will Jesum selbst begraben.

Denn er soll nunmehr in mir

Für und für

Seine süsse Ruhe haben.

Welt, geh aus, lass Jesum ein !

Een dans, dat is het. Een vreemd stuk, op deze plek, aan het eind van de Passion. Ik waag de stelling dat we hier te maken hebben met pure bruidsmystiek. De verinnerlijking van het geloof is hier goed te zien en Bach heeft het prachtig vertolkt. Ook dit is niet door elke deelnemer opgemerkt. De uitstapjes naar de theologie geven aan het beluisteren van de muziek een extra dimensie. Dat was ook de bedoeling. Aan het eind stelde iemand me de vraag: ‘Stel, je kunt met een tijdmachine terug in de tijd en Bach zelf ontmoeten. Welke vraag zou je hem stellen?’ Ik werd even verrast door het beeld dat dat opriep. Ik zag me er echt staan, overweldigd door de muziek die zopas klonk. Mijn vraag zo zijn welke van de twee Bach zelf het mooist vond, de Johannes of de Mattheüs. Gelukkig hoeven we niet te kiezen…


About this entry