Vasalis

Maaike Meijer heeft een biografie over de dichteres Vasalis geschreven, zo’n 1000 bladzijden. Ze geeft daarin vooral aandacht aan het creatieve proces. Meijer is sterk geïnteresseerd in de mystieke kant van Vasalis’ werk. Omdat Vasalis bepaald niet gesteld was op aandacht voor haar persoon en ze de openbaarheid (als dichteres) meed, was het geen eenvoudige opgave om deze biografie te schrijven. Margaretha Leenmans onderhield wel een uitgebreide correspondentie met een groot aantal kunstenaars, een dankbare bron voor Meijer.

Wat is dat toch met Vasalis?

Toegegeven: ik ben niet gek op biografieën. Ze zijn me te onthullend. Het is als met verfilmingen van boeken, ze beschadigen mijn eigen voorstelling van hoe iets is of geweest moet zijn onherstelbaar. Zo nu en dan is dat terecht, omdat ik een volstrekt verkeerde voorstelling van zaken had. Maar soms is het volslagen overbodig. Ik sta daarom ambivalent ten opzichte van de biografie over Vasalis. Niet omdat Meijer geen goed werk geleverd heeft, maar meer om het verschijnsel biografie op zich.

‘„Ik heb nu ’t gevoel dat ik in een wachtkamer zit, mijn mantel maar niet uittrek.” Een uitspraak die alleen maar gedaan kan worden door iemand die merkt dat de helderheid van haar ondervindingen afneemt.’, aldus Marjoleine de Vos in NRCboeken (16 februari 2009). Ze schrijft verder: ‘Meijer schrijft dat Vasalis’ poëzie voortkomt uit het verlangen naar de openbaring van dat ‘nu-moment’. „Haar poëzie moet die ervaring voltrekken.” Dat lees je vaak over poëzie, dat er iets in moet gebeuren, iemand moet tot leven worden gewekt, een wereld moet worden hersteld, een ervaring tentoongesteld. Dat ís natuurlijk in zekere zin ook zo, dat is ook de reden waarom kunst een belangrijke rol in ons leven speelt. In een schilderij, een muziekstuk – soms zelfs maar in een paar maten daarvan, zo’n paar maten die je hart hulpeloos doen meebewegen met de muziek – in gedichten als je ze écht leest, daarin ligt een sensatie opgeslagen die je, anders dan in het leven, kunt opzoeken. En in veel gevallen blijft die ervaring als nieuw bewaard – ook al anders dan in het leven.’ Ik heb de indruk dat De Vos zich wat afzet tegen Meijer. Ik zou dat in ieder geval wel doen. Meijer is natuurlijk kind van haar tijd, ervaring, dat is wat telt. De huidige aandacht voor ervaring leidt mijns inziens tot een reductie. Er is minder aandacht voor reflectie. Overmatige aandacht voor ervaring, voor sensatie, leidt tot sensatiehonger. We zijn er zelfs al aan verslaafd. Ik pleit voor een combinatie van ervaring en reflectie. En dat is met wat Vasalis heeft geschreven heel goed mogelijk.

„Ik heb nu ’t gevoel dat ik in een wachtkamer zit, mijn mantel maar niet uittrek.”

Direct moet ik denken aan ‘worden als een kind’. Alle ervaringen en associaties die zich opstapelen in je leven vormen een dikke korst op je huid waardoor je niet meer ‘direct’ kunt ervaren, waarnemen. Ik ben -zo nu en dan- jaloers op een kind dat onbelast waarneemt. En toch wil ik niet ruilen. Want associaties zijn me ook dierbaar. Het is niet alleen een korst op mijn huid of vet op mijn bril. Het is ook rijkdom aan herinneringen, toegang tot een immens rijk aan dromen en mijmeringen. Ik merk het tijdens colleges aan studenten, het associatieve deel is nog volop in ontwikkeling. Ik zou de ervaring van de jaren niet graag missen. Het weegt op tegen het wachtkamergevoel, met de jas aan.

Zowel De Vos als Meijer stellen dat Vasalis een verlangen te kennen geeft om de ervaring van het moment vast te willen houden. In het moment, in het nu ervaart ze geluk. Wie wil het niet vasthouden? Tegelijk merkt De Vos terecht op dat je het alleen maar als geluk kunt benoemen als de ervaring verleden tijd is. Ik vermoed dat Vasalis velen aanspreekt door dit verlangen in haar werk. Lezers delen de pijn van het voorbijgaan en het verlangen om het te herbeleven.

Is er kruid tegen gewassen?

Op het graf van een goede vriendin ligt een kleine steen met als opschrift een citaat van Nijhoff: ‘Dit is geen einde nog, maar een voorgoed begonnen begin.’ Met die zin ben ik het hartgrondig eens. Niet de eindigheid, niet het voorbijgaan heeft het laatste woord. Vasalis eindigt in SUB FINEM met ‘Het werd, het was, het is gedaan.’ Mij wacht een ander perspectief.


About this entry