Heiligen

Afgelopen weekend was ik met een stel vrienden in Monschau. Een bevriend echtpaar had er een huis gekocht. Ze hadden kosten noch moeiten gespaard om het op te knappen. Het resultaat was schitterend: een groot huis tegen de berghelling, met een adembenemend uitzicht over de vallei waarin het stadje Monschau ligt, onderverdeeld in drie afzonderlijke appartementen. We voelden ons er direct thuis. Tijdens onze wandelingen in en rond Monschau zag ik her en der Mariabeelden, kapelletjes, crucifixen en andere uitingen van het katholieke geloof. Een aantal crucifixen was versierd met kransen en bloemen waar vooral de kleur geel in terugkwam. Ik vermoed dat dat met Pasen te maken heeft. Vreugde om het nieuwe leven. Op de voordeuren van vrijwel alle huizen was met krijt iets geschreven: 20 * C* M * B * 10. Kinderen waren met Driekoningen langs de deuren gegaan om mensen een gelukkig Nieuwjaar te wensen. In ruil daarvoor kregen ze snoep. In katholieke streken wemelt het (nog steeds) van de heiligen. Uiteraard in de vorm van beelden in kerken, maar ook in zo’n Nieuwjaarsspreuk op je deur. De C staat voor Caspar, de M staat voor Melchior en de B staat voor Balthasar, de drie koningen of wijzen uit het Oosten die de ster achterna reisden, op zoek naar het koningskind dat geboren zou zijn. Ze kwamen uit in Bethlehem, waar Jezus geboren was. In Monschau zag ik ook nog andere heiligen die genoemd werden in de ex voto’s die opgehangen waren in een Mariakapel, zoals de relatief onbekende Judas Thaddeüs.

Ex voto’s

Heiligen?

‘Iemand wordt als heilige beschouwd wanneer hij of zij door zijn of haar doen iets heeft laten zien van God. Hij of zij heeft zijn of haar leven onvoorwaardelijk in dienst gesteld van anderen en daarmee in dienst van de heelheid van de schepping” Dat is een uitgesproken christelijke definitie. Maar we hebben vandaag de dag ook buiten het religieuze kader wel degelijk heiligen. Mensen die een voorbeeldfunctie hebben, mensen die een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd. Het moet wel iets goeds zijn en het moet onbaatzuchtig zijn. Al vrij vroeg in het christendom werden sommige gelovigen, vaak na hun overlijden, belangrijk. Ze werden voorbeeldig. Andere gelovigen konden zich aan hen optrekken en spiegelen. Kluizenaars, heremieten en monniken vervulden ook die rol. Gewone mensen kwamen er niet aan toe. Ze waren te zeer verwikkeld in de strijd om het bestaan en konden zich onvoldoende concentreren op het hogere. Pas later ontstond het idee dat de heiligen hun overtollige goede werken ter beschikking stelden aan hen die er een tekort aan hadden.

Ik vind heiligen (in de gangbare betekenis van het woord) wat vermoeiend. Ze komen op mij over als een soort uitslovers die tegelijk wat wereldvreemd zijn. Dat ligt natuurlijk ook aan de manier waarop ze afgebeeld worden. Vaak met vroom gevouwen handen, de blik ten hemel, een beproeving weerstaand of een marteling ondergaand met een bovennatuurlijke sereniteit. Niet normaal. Terwijl het in hun leven heel gewone mensen geweest moeten zijn, zonder aureool en zo.

Het lukt hedendaagse seculiere heiligen ook niet zo. Op het moment dat wij iemand gaan ‘ophemelen’ (wat een mooi woord!) kan je wachten op hun val. Want tegelijkertijd gaan we naarstig op zoek naar een smet of rimpel. En we vinden er altijd wel een. Het zijn tenslotte mensen. Het zou ons allemaal goed doen als we de heiligen uit heden en verleden weer gaan beschouwen als gewone mensen. Die soms, zo nu en dan, in staat waren om boven zichzelf uit te stijgen en het buitengewone te doen. Niet direct om zich er op te laten voorstaan, maar omdat ze inzagen dat het het beste was om op dat moment te doen. Voor een ander. En daarmee voor iedereen en ook voor zichzelf.

Advertenties

About this entry