Appels

Adam en Eva en de boom

‘ERUIT! Ik wil die rommel niet in mijn huis! Weg ermee! WEG ERMEE!’
‘Maar pa, wat bedoel je? Ik…’
‘WEG! Weg, zeg ik!’
Kain keek zijn vader verbijsterd aan. Abel was van pure schrik achter hem weggekropen. Zo hadden de jongens hun vader nog nooit gezien. De man was buiten zinnen.
‘Maar pa’, probeerde Kain nog eens:’Wat is er mis met deze vruchten?’
‘Ik wil ze niet zien! Vervloekte appels!’ schreeuwde Adam. ‘Begrepen?’ Dreigend liep hij op ze af. Ze krompen ineen.
‘Zeg, kan je wel? Zo schreeuwen tegen je zoons? Man, wat is er in je gevaren?’ Eva drong zich tussen Adam en haar zoons.
‘Waar maak je je zo kwaad om?’
‘Hierom!’ Adam hield haar de mand met appels onder de neus. Prachtige blozende appels. Kleine stevige vruchten met een mooie blos, verleidelijk om te zien.
Eva schrok. Over haar gezicht trok een vlaag van verdriet. ‘Ja’, zei ze: ‘Ja, ik begrijp je nu. Maar daar kunnen zij niets aan doen. Niets, hoor je?’ Haar ogen spoten vuur. Adam zag het. Hij schaamde zich dat hij zich zo had laten gaan. Hij bloosde, huilde bijna. Hij draaide zich om. Niemand mocht dit zien. De grote man, de sterke man, bloosde, huilde.
Na een poosje draaide hij zich om. ‘Kain, Abel, kom.’ Zijn stem klonk anders nu, schor, zacht. ‘Ik schaam me dat ik jullie zo afblafte. Je moeder en ik, nee ik, ik kan geen appel zien zonder herinnerd te worden wat er is gebeurd.’
‘Adam, weet je het zeker? Moet dat nu?’
‘Ja, Eva, het moet nu, het moet toch een keer.’
Kain en Abel keken elkaar aan. Wat gebeurde er nu? Wat was er met die appels?

Ze waren verder gelopen dan ooit, een ander dal in. In dat dal groeiden dezelfde planten als in het dal waar hun huis stond. Op een paar na. Een groepje bomen had hun aandacht getrokken. Kain ging voorop. Kain ging altijd voorop. Abel liep als een schaduw achter hem aan. In de toppen van de bomen hingen ze, rode vruchten. Abel was op Kains schouders geklommen en had zich aan de takken opgetrokken. Hij had ze geplukt. Verrukkelijk zagen ze er uit, blozend, verleidelijk. Ze kenden ze niet. Vijgen, moerbeien, abrikozen, druiven, ja, die kenden ze. Maar deze stevige vruchten waren onbekend. Nadat Abel er behoorlijk wat had geplukt had hij zich uit de boom laten zakken en de doek losgeknoopt waar hij ze in had verzameld. Ze roken fris, iets zuur en kruidig. Ze hadden er een paar opengebroken. Het witte vruchtvlees zag er sappig uit. Voorzichtig hadden ze geproefd, met de punt van hun tong. Zuur! Maar toch lekker. Na een poosje hadden ze voorzichtig er wat van in hun mond genomen. Heerlijk. ‘Niet meer van eten nu’, had Abel gezegd: ‘Eerst thuis vragen of het wel te vertrouwen is.’ Kain had zijn schouders opgehaald. Toch luisterde hij naar zijn broertje, je wist nooit.

Kain durfde het vragen:’ Pa, wat is er met die vruchten, die appels? Zijn ze erg giftig?’ Hij keek benauwd, wreef over zijn buik. Adam glimlachte flauwtjes. ‘Nee’, zei hij: ‘Ze zijn juist erg lekker. Zie je hoe ze glanzen, hoe mooi rood ze zijn? Je hebt zelf de frisse geur geroken en al iets geproefd.’ Hij zuchtte.
‘Lang voor jullie geboren werden woonden je moeder en ik een heel eind hier vandaan. We woonden in een prachtige tuin, tussen twee rivieren. Het is de mooiste plek op aarde, paradijselijk. Het was er volmaakt. Je moeder en ik waren er zielsgelukkig. De tuin stond vol bomen en struiken, met allerhande vruchten. Nooit hebben we honger geleden, nooit iets gegeten dat niet smaakte, nooit iets meegemaakt dat ons verdriet of pijn deed.’
‘Waarom zijn jullie daar dan ooit weggegaan?’ Abel had met open mond zitten luisteren. Wat een plek! Je moest wel gek zijn om die te verlaten.
‘Er stond een boom, midden in de tuin. Of nee, er stonden er twee. Twee bijzondere bomen. De Levensboom. Er was iets mee. Eten van de vruchten van die boom zou je onsterfelijk maken. Een prachtige boom! En dan die andere, de boom van het kwaad. Nee, ik moet het anders zeggen: de boom van het weten. Als je daar van at, werd je onmetelijk wijs. Ons was verboden om van die kwade boom te eten. Dat was niet zo moeilijk. Er was overvloed! We taalden niet naar meer. Maar op een kwade dag…’
Adam zweeg, hij kon even niet verder.
‘Op een kwade dag’, zei Eva. Haar stem beefde. ‘Op een kwade dag kroop een slang de kwade boom in. Hij wees mij op de vruchten. Prachtige appels, stevig, geurig, sappig. De slang keek me aan en ik wilde wijs zijn als de slang, Ik wilde me meten met de Eeuwige, ik wilde alles weten. Ik plukte en at en gaf je vader en hij at ook. Dat hebben we geweten. We wisten toen alles. We kenden het kwaad. We wilden elkaar niet meer zien, we wilden de Eeuwige niet meer zien. Ik werd zo ontzettend bang, ik dacht dat ik zou sterven van angst. De Eeuwige heeft ons toen verbannen uit de tuin. We mochten nooit meer terugkomen. Hij wilde niet dat we aten van de Levensboom. Onoverwinnelijke engelen staan aan de ingang van de tuin. Te vuur en te zwaard verdedigen ze de toegang. Er is geen weg terug. En daarom zullen we sterven.’
Het bleef lang stil. Abel wilde zijn mond opendoen. ‘Maar…’. Verder kwam hij niet.

Laat die avond steeg er een ongebruikelijke geur op uit het huis, de geur van warme appelmoes…

Advertisements

About this entry